Samenvatting
Omdat De Telegraaf niet meedoet aan de procedure van de Raad voor de Journalistiek, heeft de Raad een klacht over het artikel “Schiedam in greep van geweldsgolf: plotselinge verdwijning en explosies om ‘hoogoplopend drugsconflict’” niet inhoudelijk behandeld. De Raad gaat in deze situatie alleen tot behandeling van de klacht over in het bijzondere geval dat deze van algemene strekking of principieel belang is. Daarvan is hier niet gebleken.
Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
X
tegen
de hoofdredacteur van De Telegraaf
De heer X (klager) heeft op 31 oktober 2025 klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klager betrokken van 16 december 2025.
De hoofdredacteur van De Telegraaf heeft in het verleden herhaaldelijk aan de Raad bericht dat hij niet wenst mee te werken aan de procedure van de Raad. Bij het doorsturen van deze klacht is daarom aan de hoofdredactie meegedeeld dat indien zij niet binnen de termijn van drie weken inhoudelijk heeft geantwoord, de Raad er zonder tegenbericht van uitgaat dat zij het eerdere besluit van de (vorige) hoofdredactie handhaaft. De hoofdredactie heeft daarop niet gereageerd.
De klacht is besproken op de zitting van de Raad van 6 februari 2026 op basis van de schriftelijke stukken.
DE FEITEN
Op 9 juli 2025 is op de website van De Telegraaf een artikel verschenen met de kop “Schiedam in greep van geweldsgolf: plotselinge verdwijning en explosies om ‘hoogoplopend drugsconflict’”. De intro van het artikel luidt:
“De jeneverstad Schiedam is in de ban van een escalerende geweldsreeks. Een [herkomst] familie lijkt het doelwit. In twee weken tijd staat de teller op drie explosies en was een familielid tijdelijk spoorloos. Bronnen van De Telegraaf melden dat een conflict over een partij hoogwaardige hasj en niet betaalde schulden mogelijk aan de basis ligt.”
HET STANDPUNT VAN KLAGER
Klager stelt – kort samengevat – het volgende. In het artikel worden hij en zijn familie ten onrechte in verband gebracht met zware criminaliteit. De klacht richt zich op onzorgvuldig journalistiek handelen dat in strijd is met de Leidraad van de Raad. Het artikel suggereert een verband met drugsschulden en georganiseerde criminaliteit, terwijl hiervoor geen feitelijke grondslag bestaat. De gebruikte termen ‘mogelijk’ en ‘lijkt’ ontnemen niet de schadelijke werking van de publicatie, omdat de context en framing voor lezers een duidelijke richting geven. Verder is er geen wederhoor toegepast bij klager of zijn familie. De publicatie heeft geleid tot ernstige reputatieschade, sociale isolatie en veiligheidsrisico’s voor de ouders van klager en familie binnen hun gemeenschap. Andere media hebben het artikel integraal overgenomen, waardoor de schade structureel en blijvend is geworden. De kern van de gebeurtenissen heeft geen enkele relatie met drugscriminaliteit, maar met een financiële fraudezaak waarin klager zelf slachtoffer is geworden. Ook de politie is daarvan op de hoogte. De suggestieve koppeling die in het artikel wordt gemaakt is daarom misleidend en disproportioneel. Klager heeft herhaaldelijk contact gezocht met De Telegraaf en (onder meer) verzocht om rectificatie, maar dat verzoek is afgewezen.
Klager acht een inhoudelijke beoordeling van groot maatschappelijk belang. Het gaat hier om de grenzen van suggestieve berichtgeving, waarbij anonieme burgers en hun families blijvend worden beschadigd zonder harde feiten. De klacht ziet niet alleen op zijn persoonlijke situatie, maar raakt een breder journalistiek en maatschappelijk vraagstuk, namelijk: het publiceren van ernstige en stigmatiserende suggesties (zoals in dit geval betrokkenheid bij drugscriminaliteit), terwijl betrokkenen slachtoffer zijn van geweld en afpersing, op basis van niet-verifieerbare bronnen en zonder effectieve mogelijkheid tot weerwoord of correctie. Deze werkwijze heeft verstrekkende gevolgen voor betrokken burgers en hun families en raakt daarmee aan fundamentele journalistieke zorgvuldigheid, aldus klager.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
In artikel 9 lid 7 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad is het volgende bepaald:
“Indien de klacht is ingediend tegen een medium dat of een journalist die zich uit beginsel niet verweert, ziet de Raad af van behandeling, tenzij de klacht volgens de Raad van algemene strekking of principieel belang is.”
De Telegraaf heeft niet op de klacht bij de Raad gereageerd en wenst blijkbaar (nog steeds) niet mee te werken aan de procedure bij de Raad. De Raad zal dan slechts tot behandeling van de klacht overgaan in het bijzondere geval dat deze van algemene strekking of van principieel belang is. Daarvan is hier niet gebleken.
Klager maakt bezwaar tegen de wijze waarop over hem en zijn familie is bericht. De Raad vindt niet dat de (strekking van de) klacht het belang van klager in zodanige mate overstijgt, dat er sprake is van een klacht van algemene strekking. Dat een inhoudelijk oordeel van de Raad mogelijk ook anderen ten goede komt, is daartoe onvoldoende.
Ook ziet de Raad geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de klacht betrekking heeft op elementen van het journalistieke proces waarover de Raad zich niet eerder heeft uitgelaten, en daarmee van principieel belang is. De kern van de klacht heeft betrekking op suggestieve en onjuiste berichtgeving, het gebruik van bronnen, toepassing van wederhoor en de wijze waarop de klacht is afgehandeld. De Raad heeft hierover in zijn Leidraad algemene uitgangspunten geformuleerd die in diverse conclusies zijn uitgewerkt. Gesteld noch gebleken is dat de door de Raad gehanteerde criteria onvoldoende duidelijk zijn. Dat De Telegraaf niet volgens deze criteria zou hebben gehandeld, maakt op zichzelf de klacht nog niet van principieel belang.
De Raad ziet dan ook geen aanleiding de klacht inhoudelijk te behandelen.
Relevante punten uit de Leidraad: A., B.2 en B.3, C. en D.
Relevante eerdere conclusies (onder meer): RvdJ 2024/20, RvdJ 2024/6 en RvdJ 2024/3
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 9 lid 7
CONCLUSIE
De klacht is niet van algemene strekking of principieel belang en wordt daarom niet inhoudelijk behandeld.
Zo vastgesteld door de Raad op 9 maart 2026 door mr. G.C. Makkink, voorzitter, dr. H.P. Groenhart, J. Hoogenberg, I. Jansen en E.M.E. de Kort, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C. Koene, secretaris.