2021/48 Afgewezen

X - verzoeker inzake herziening conclusie RvdJ 2021/38 / de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om de conclusie RvdJ 2021/38 over een klacht tegen de Leeuwarder Courant te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 10 september 2021 (RvdJ 2021/38) betreffende zijn klacht tegen

de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

De heer mr. A.J. Buurma, juridisch adviseur te Zoetermeer, heeft op 29 september 2021 namens de heer X (verzoeker) verzocht om herziening van de conclusie van 10 september 2021 inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant. Bij de beoordeling van het herzieningsverzoek is verder correspondentie van partijen betrokken van 12 en 20 oktober 2021.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 29 oktober 2021 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Verzoeker heeft op 17 mei 2021 een klacht ingediend tegen de Leeuwarder Courant over artikelen die in de periode van 10 september 2009 tot en met 7 juli 2012 zijn verschenen.

Op 10 september 2021 heeft de Raad ten aanzien van de klacht, voor zover gericht tegen de inhoud van de publicaties, het volgende overwogen:
“Voor zover klager heeft bedoeld zijn klacht ook te richten tegen de inhoud van de genoemde publicaties staat vast dat de klacht niet binnen zes maanden na de gewraakte publicaties bij de Raad is binnengekomen.
Klager heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de overschrijding van de termijn hem niet kan worden verweten.
De Raad zal de klacht op dit onderdeel dan ook niet inhoudelijk behandelen.”

De Raad heeft verder geconcludeerd dat de Leeuwarder Courant zorgvuldig heeft gehandeld door de publicaties niet te verwijderen of te anonimiseren. De Raad heeft daartoe, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat wanneer journalisten het verzoek krijgen om online toegankelijke publicaties (tekst, beeld en/of geluid) te anonimiseren dan wel te verwijderen, zij slechts in uitzonderlijke gevallen het publieke belang van zo volledig mogelijk, betrouwbare archieven laten wijken voor de particuliere belangen van degene die hierom verzoekt.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is naar het oordeel van de Raad geen sprake van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de artikelen neutraal en feitelijk van aard zijn en dat de bezwaren van klager vooral zien op de juistheid van de inhoud, terwijl hij daarover eerder had moeten klagen. Dat klager – naar hij stelt – in het dagelijks leven bij de ontplooiing van zijn economische activiteiten nadeel ondervindt omdat opdrachtgevers en werkgevers hem door de publicaties kunnen koppelen aan recreatiepark Schatzenburg, weegt in dit geval niet op tegen het publieke belang dat de Leeuwarder Courant moest afwegen. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de belangenafweging toch in het voordeel van klager zou moeten uitvallen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker stelt – kort samengevat – het volgende. De conclusie van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten. De artikelen zijn niet neutraal en feitelijk van aard, maar zijn wel degelijk tendentieus. In de berichtgeving wordt immers ten onrechte de indruk gewekt dat verzoeker verantwoordelijk is geweest voor misstanden op het recreatiepark en het bijbehorende zwembad, en dat hij persoonlijk failliet is gegaan. Verzoeker wordt door de berichtgeving bovendien ernstig geschaad.
De combinatie van de tendentieuze berichtgeving en de daaraan verbonden ernstige gevolgen leidt ertoe dat het belang van verzoeker bij verwijdering dan wel anonimisering van de berichtgeving zwaarder weegt dan het belang van de Leeuwarder Courant bij een betrouwbaar en zo volledig mogelijk archief. Daarbij komt dat de Leeuwarder Courant ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. De conclusie van de Raad is op dit punt onjuist.
Ten slotte vindt verzoeker het opvallend dat de Raad een vrijwel gelijke uitspraak heeft gedaan in zijn zaak tegen Omrop Fryslân. Hij heeft de indruk dat de Raad geen aandacht heeft besteed aan de verschillende publicaties en de mate waarin die tendentieus van aard zijn.

De Leeuwarder Courant heeft erop gewezen dat het verzoekschrift geen argumenten bevat op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Verzoeker stelt slechts de door Raad gemaakte kwalificatie van de artikelen en zijn afwegingen ter discussie. Het herzieningsverzoek moet dan ook worden afgewezen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien een verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Verzoeker heeft dit niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (enige nadere toelichting op) stellingen die verzoeker eerder in de procedure heeft geformuleerd en die de Raad (naar de kern) heeft betrokken bij zijn oordeel. Niet is gebleken dat de Raad zijn oordeel op onjuiste constateringen heeft gebaseerd.
Daarbij wijst de herzieningskamer erop dat uit de stukken en de conclusie blijkt dat de Leeuwarder Courant een belangenafweging heeft gemaakt – ook voordat verzoeker zich tot de Raad heeft gewend – en dat die belangenafweging door de Raad is getoetst.

In essentie vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet echter niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting of een uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoeker het niet eens is met de afwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2021/42 en RvdJ 2021/36
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 29 november 2021 door mr. J.J. van Eck,  voorzitter, mw. mr. N.A.M. van Herten, M.J.P.H. Josten, mw. L.M. van de Langenberg Msc en mw. drs. S.S. Sitalsing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. G.A. van de Sluis, plaatsvervangend secretaris.