Samenvatting
A. van der Ziel en Trouw hebben in de artikelen “Firma van oorlogsonderzoeker moet tonnen terugbetalen aan de EU” en “De oorlogsonderzoekers in Syrië liggen nu zelf onder de loep” op journalistiek zorgvuldige wijze bericht over de Commission for International Justice and Accountability en haar bestuurder N. Jelacic (klagers). Voor Trouw c.s. bestond voldoende aanleiding om over klagers te berichten zoals is gedaan. Er is geen sprake van eenzijdige, tendentieuze en bevooroordeelde berichtgeving. Het van klagers verkregen wederhoor is op adequate wijze verwerkt. Ten slotte heeft Trouw serieus op de klacht gereageerd, waarbij zij een omissie op passende wijze heeft rechtgezet.
Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
N. Jelacic en Commission for International Justice and Accountability
tegen
A. van der Ziel en de hoofdredacteur van Trouw
Mevrouw N. Jelacic, bestuurder van Commission for International Justice and Accountability (hierna: CIJA), heeft op 20 november 2020 mede namens CIJA te Den Haag (hierna gezamenlijk: klagers) een klacht ingediend tegen de heer A. van der Ziel en de hoofdredacteur van Trouw (hierna gezamenlijk: Trouw). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klagers en de heer M. Roessingh, hoofdredacteur, van 16 en 28 december 2020 en 7 januari 2021.
De zaak is met toestemming van partijen buiten hun aanwezigheid behandeld op de zitting van de Raad van 29 januari 2021.
DE FEITEN
Op 24 maart 2020 heeft OLAF, het bureau voor fraudebestrijding van de Europese Commissie, een persbericht verspreid met de kop “OLAF unravels fraud among partners in Rule of Law project in Syria”. Het persbericht bevat onder meer de volgende passage, waarbij kennelijke verschrijvingen zijn hersteld:
“The European Union budget finances a wide range of programmes and projects which improve the lives of citizens across the EU and beyond, but fraudsters sometimes also target these funds. The European Anti-Fraud Office (OLAF) is mandated to detect, investigate and stop fraud with EU funds, ensuring that EU money are used as intended and do not end up in the pockets of fraudsters. This January 2020, OLAF closed an investigation into fraud against the EU budget relating to a “Rule of Law” project in Syria, recommending that the national authorities in the UK, the Netherlands and Belgium consider prosecuting the involved project partners for possible offences of fraud and forgery.
OLAF received information suggesting that a company based in the UK, and its partners in the Netherlands and the United Arab Emirates, might have been engaging in fraud against the EU budget, in relation to a “Rule of Law” project in Syria. OLAF established that the UK company, together with its partners, had entered into a contract with the EU to support possible prosecutions for violations of International Criminal and Humanitarian Law in Syria. The total value of this contract was EUR 1 999 830.”
Vervolgens zijn op 22 mei 2020 op de website en in de papieren editie van Trouw twee artikelen van de hand van Van der Ziel verschenen. Het eerste artikel verscheen onder de kop “Firma van oorlogsonderzoeker moet tonnen terugbetalen aan de EU”. De intro van het artikel luidt:
“Het bedrijfje van een vermaarde onderzoeker van oorlogsmisdrijven moet bijna vier ton subsidie terugbetalen aan de Europese Unie. Dat heeft een rechtbank in Brussel bepaald. Het gaat om de firma Tsamota van de Canadese oud-legerofficier Bill Wiley, een bekende in de wereld van het internationaal strafrecht.”
Het artikel luidt verder, waarbij kennelijke verschrijvingen zijn hersteld:
“Het vonnis is gebaseerd op onderzoek van Olaf, de fraudebestrijdingsdienst van de EU, naar een project van Tsamota in Irak. Tsamota ging daar op kosten van de EU de rechtenopleidingen aan enkele universiteiten verbeteren. Volgens de Belgische rechtbank, die op 17 januari uitspraak deed, is niet bewezen dat Wiley’s bedrijfje fraudeerde, maar is de lijst van financiële onregelmatigheden ‘indrukwekkend’. Wiley meldt dat zijn firma de uitspraak betwist en in hoger beroep gaat.
Het vonnis, waarover de Belgische krant La Libre eerder deze maand al berichtte, komt tegen de achtergrond van naspeuringen die Olaf ook deed naar vermoede malversaties bij onderzoek naar oorlogsmisdrijven in Iraks buurland Syrië. In dat project wordt een sleutelrol gespeeld door de Commission for International Justice and Accountability (CIJA), een non-gouvernementele organisatie waarvan Wiley eveneens bestuurder is. Volgens Olaf zijn bij dat project ook wijdverbreide onregelmatigheden vastgesteld. “Terwijl de projectpartners claimden dat ze de rechtsstaat steunden, schonden ze in werkelijkheid op grote schaal regels, met valse documenten, onregelmatige facturen en zelfverrijking”, aldus Olaf in een recent persbericht.
Wiley weigert vragen te beantwoorden over CIJA of het project in Syrië. Maar Nerma Jelacic, een van zijn medebestuurders, verzekert dat de organisatie en haar medewerkers niets hebben misdaan. Zij is woedend over het onderzoek en noemt de Olaf-rechercheurs een stel klunzen.”
Het tweede artikel verscheen met de kop “De oorlogsonderzoekers in Syrië liggen nu zelf onder de loep”. De intro van dit artikel luidt:
“Europese fraudebestrijders constateren grootscheeps financieel gesjoemel bij onderzoek naar oorlogsmisdrijven in Syrië. ‘Ik hoop niet dat dit de vervolging van oorlogsmisdadigers in gevaar brengt.’”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages, waarbij kennelijke verschrijvingen zijn hersteld:
“Diplomaten en internationale juristen zijn vaak lyrisch over de Commission for International Justice and Accountability. Deze Haagse stichting doet dan ook baanbrekend werk. Met hulp van dappere medewerkers in Syrië verzamelt CIJA bewijs van oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid door het bewind van de Syrische dictator Bashar al-Assad en terreurgroep Islamitische Staat. ‘Hoe de juridische jacht op Bashar al-Assad al is begonnen’ kopte Trouw in 2017 boven een stuk over CIJA.
(…)
Maar intussen blijkt het project de afgelopen jaren zelf het onderwerp te zijn geworden van een onderzoek door Olaf, de fraudebestrijdingsdienst van de Europese Unie. Financiële rechercheurs deden jarenlang onderzoek en stelden wijdverbreide onregelmatigheden vast. “Terwijl de projectpartners claimden dat ze de rechtsstaat steunden, schonden ze in werkelijkheid op grote schaal regels, met valse documenten, onregelmatige facturen en zelfverrijking”, meldde Olaf in een recent persbericht.”
en:
“Maar Nerma Jelacic, een van de directeuren van CIJA, verzekert dat de stichting en haar medewerkers niets hebben misdaan. Zij is woedend over het onderzoek, omdat volgens haar een nobel initiatief onnodig door het slijk wordt gehaald. “Zelfs een verdachte van oorlogsmisdaden wordt beter behandeld dan hoe wij zijn bejegend door Olaf”, zegt Jelacic.
Het opmerkelijke verhaal begint in 2011, als Syrië afdaalt in een bloedige spiraal van geweld. De Canadese oorlogmisdrijvenexpert Bill Wiley geeft in die tijd met zijn bedrijfje Tsamota, gevestigd in Londen, training aan Syrische mensenrechtenactivisten. De oud-legerofficier vindt daarbij de Britse ex-diplomaat Alistair Harris en diens bedrijfje ARK, dat opereert vanuit Dubai, aan zijn zijde.”
en:
“Samen met anderen zet Wiley in Den Haag de Syrian Commission for Justice and Accountability op, die later wordt omgedoopt tot Commission for International Justice and Accountability (CIJA).”
en:
“Maar de afkeer van de wandaden in Syrië is groot en het enthousiasme overheerst. Het project krijgt financiële steun van westerse landen en van de EU, en het budget van de stichting loopt op tot rond 6 miljoen euro per jaar. Ook Nederland gaat het project later steunen met een subsidie van 2,8 miljoen over de periode van 2017 tot 2021.
(…)
Intussen blijven Tsamota, het eigen bedrijfje van Wiley, en ARK, de firma van ex-diplomaat Harris, in de opstartfase nauw betrokken bij het project. Zo komt donorgeld een tijd lang binnen via ARK. Tsamota geeft trainingen aan activisten die op onderzoek gaan in Syrië. En volgens Wiley schiet zijn bedrijfje ook geld voor, omdat donorsteun op zich laat wachten.
Volgens een ‘Briefing Note’ waarin de stichting in 2013 uitlegt wat zij doet, ondersteunen de twee firma’s het project op ‘non-profit-basis’. De bedrijfjes zorgen er volgens de notitie voor dat het donorgeld goed terechtkomt en dat een fatsoenlijke boekhouding wordt bijgehouden.
Hoe dit in de praktijk precies uitpakt, is voor buitenstaanders lastig te achterhalen. En waarom de fraudebestrijders later het project onder de loep nemen, is ook onduidelijk. Maar helder is wel dat Olaf-rechercheurs in het voorjaar van 2015 overgaan tot een inspectie op het hoofdkantoor van CIJA. Ze eisen inzage in documenten.
“We moesten allemaal naar een vergaderzaal”, vertelt een ex-medewerker die erbij was. “We dachten dat er misschien een veiligheidsincident was, of een oefening of zo. Maar het was een bezoek van Olaf. Na een paar uur kwam Bill naar ons toe. Hij was woedend en zei dat het allemaal met eerdere activiteiten in Irak te maken had, en niks met CIJA. We hoefden ons geen zorgen te maken, ze zouden niks vinden. Hij noemde de Olaf-onderzoekers een stel idioten.”
Volgens Wiley’s mededirecteur Jelacic volgt later dat jaar een tweede gespannen ontmoeting met een Olaf-delegatie. Aanleiding is volgens Jelacic dat de rechercheurs in het kader van hun onderzoek de namen van een aantal CIJA-medewerkers in Syrië aan een geldschieter hebben gemaild. CIJA maakt daar bezwaar tegen, omdat het de levens van de Syriërs in gevaar zou brengen, maar de stichting krijgt nul op het rekest.”
en:
“Als Wiley door Trouw wordt geconfronteerd met vragen over de verwikkelingen met Olaf, wil hij alleen per e-mail communiceren en wil hij alleen vragen beantwoorden over de rechtszaak tussen zijn eigen bedrijfje en de EU. Hij benadrukt dat het Irak-project los stond van CIJA. Hij meldt bovendien dat zijn bedrijfje het vonnis betwist en in beroep is gegaan. De woordvoering over CIJA laat hij over aan zijn medebestuurder Jelacic.
Die ontkent telefonisch dat iemand van CIJA iets onoorbaars heeft gedaan en beklaagt zich er over dat het Olaf-onderzoek jaren heeft geduurd. De rechercheurs zijn volgens haar een stel klunzen. “Ik heb met ze te maken gekregen en hun aanpak kan alleen maar worden omschreven als de Laurel en Hardy-show.”
Tot woede van Jelacic en Wiley publiceert Olaf op 24 maart 2020 een persbericht over zijn onderzoeksconclusies. De dienst adviseert justitie in Nederland, België en Groot-Brittannië om te kijken of vervolgd kan worden voor mogelijke fraude en valsheid in geschrifte. Ook dringt Olaf er bij de Europese Commissie op aan om bijna 2 miljoen euro terug te vorderen die aan subsidie is verstrekt voor het Syrië-project.
Hoewel Olaf geen namen noemt en onduidelijk blijft hoe de zaak precies in elkaar steekt, brengt de verklaring de tongen in beweging in de Haagse wereld van het internationale recht. Als de Belgische krant La Libre vervolgens op 5 mei ook nog eens bericht over het vonnis tegen Wiley’s bedrijfje, en het Olaf-speurwerk dat daaraan ten grondslag ligt, groeit de ongerustheid in de kring van diplomaten en juristen rond CIJA.
(…)
Direct na de persverklaring van Olaf vraagt voormalig topdiplomaat Stephen Rapp, die voorzitter is van de beleidsadviesraad van CIJA, de stichting om opheldering. Volgens de Amerikaan krijgt hij daarop van Wiley een vertrouwelijk memo. Rapp zegt daaruit op te maken dat de beschuldigingen waarschijnlijk vooral de opstartfase van het initiatief betreffen en zich hoofdzakelijk richten op ARK, het Dubaise bedrijfje van oud-diplomaat Harris. “Het memo was ‘for your eyes only’. Ik heb alleen een samenvatting gedeeld met de andere leden van de raad.””
Het artikel is later aangepast. De zin “Ook Nederland gaat het project later steunen met een subsidie van 2,8 miljoen over de periode van 2017 tot 2021.” is gewijzigd in “Ook Nederland gaat CIJA later subsidiëren, maar voor andere projecten.”
Verder is onder het artikel het volgende naschrift geplaatst:
“Dit stuk is op 15 december 2020 aangepast. In een eerdere versie stond dat Nederland het Syrië-project financieel steunde. Maar de Nederlandse overheid subsidieerde andere projecten van CIJA.”
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Klagers voeren – kort samengevat – het volgende aan. In de berichtgeving is geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Dit heeft geresulteerd in een overdreven en eenzijdig verhaal over CIJA. De beweringen uit het persbericht van OLAF zijn onbewezen, maar dat blijkt niet uit de berichtgeving van Trouw. En ondanks het feit dat CIJA niet is genoemd in het OLAF-persbericht, is zij wel genoemd in de berichtgeving van Trouw. Bovendien is aan Van der Ziel duidelijk gemaakt dat geen enkele door CIJA van de EU ontvangen subsidie is onderzocht. CIJA heeft dus geen rol gespeeld in het project zoals beschreven in het persbericht, waarnaar in de artikelen van Trouw is verwezen. Daarbij wijst CIJA er nog op dat het OLAF-onderzoek betrekking had op twaalf maanden in de periode 2013-2014.
Verder stellen klagers dat Trouw geen deugdelijk onderzoek heeft verricht naar de grondslag van de door OLAF geuite beschuldigingen aan het adres van CIJA. Dit klemt te meer nu OLAF in conflict is met CIJA. Bovendien is een voormalig consultant van CIJA geciteerd, terwijl Trouw wist dat die consultant in een langdurig civiel conflict met CIJA verkeerde. Deze bron kan dan ook niet als betrouwbaar worden beschouwd.
Klagers menen voorts dat onvoldoende wederhoor is toegepast. De informatie die klagers aan Trouw hebben gegeven, is onvolledig weergegeven en een aantal citaten is buiten de context geplaatst om CIJA in een negatief daglicht te plaatsen. Bovendien is Wiley niet de kans gegeven om te reageren.
Een en ander heeft tot gevolg dat de artikelen niet volledig waarheidsgetrouw en controleerbaar zijn en dat sprake is van eenzijdige, tendentieuze en bevooroordeelde berichtgeving. Voorbeelden hiervan zijn de koptekst en intro van het eerste artikel, waarmee ten onrechte is gesuggereerd dat de rechtszaak over de terugbetaling is beëindigd, terwijl deze nog loopt. Verder heeft Wiley wel degelijk antwoord gegeven op vragen over CIJA over het project in Syrië. En ook het tweede artikel bevat diverse onjuistheden, zoals de bewering dat ‘ook Nederland het project later gaat steunen met een subsidie van 2,8 miljoen over de periode van 2017 tot 2021’, terwijl CIJA voor haar Syrië-project geen subsidie van de Nederlandse overheid heeft ontvangen. Verder is onder meer ten onrechte beweerd dat ‘het voor buitenstaanders lastig is te achterhalen hoe dit in de praktijk precies uitpakt’. Van der Ziel heeft daarover een gedetailleerde uitleg van klagers ontvangen, hetgeen hij onvermeld heeft gelaten.
Klagers hebben hun standpunten uitvoerig toegelicht en concluderen dat Trouw in strijd heeft gehandeld met diverse bepalingen van de Leidraad. Zij zijn bovendien ontevreden over de afhandeling van hun klacht door Trouw. Niet alleen is de klacht volledig afgewezen, klagers hebben de reactie bovendien als onnodig neerbuigend en intimiderend ervaren.
Trouw stelt daar – eveneens kort samengevat – het volgende tegenover. Klagers zijn eigenlijk ontstemd over een jarenlang onderzoek van OLAF. Trouw heeft in de artikelen duidelijk gemaakt dat het gaat om onderzoekconclusies van OLAF en daarbij de letterlijke bewoordingen uit het persbericht van OLAF aangehaald. Daarbij is duidelijk vermeld dat klagers ontkennen dat zij iets onoorbaars hebben gedaan en dat zij zich beklagen over het onderzoek en de werkwijze van OLAF. Nergens is gesteld dat CIJA of haar medewerkers in de fout zijn gegaan, omdat daarover geen zekerheid bestaat. Trouw heeft juist beschreven dat onduidelijk is waarom OLAF het ‘Rule of Law’-project onder de loep nam. Ook is benadrukt dat OLAF in het persbericht geen namen noemt en dat onduidelijk blijft hoe de zaak precies in elkaar steekt.
Volgens Trouw blijkt nergens uit dat het OLAF-onderzoek was beperkt tot een tijdspanne in 2013-2014. Maar zelfs als dat onderzoek zich vooral richtte op een subsidie uit 2013 en 2014 die zou zijn verstrekt aan de Dubaise onderneming ARK, dan nog is duidelijk dat CIJA – toen nog SCJA genoemd – een sleutelrol speelde in het onderzochte ‘Rule of Law’-project. Dat is bevestigd door diverse bronnen. ARK, SCJA en Wiley’s onderneming Tsamota waren in die tijd met elkaar verweven. Volgens de vermelding door de Europese Commissie in het ‘Financial Transparency System’ was het doel van de subsidie: ‘het verbeteren van de analytische capaciteit van de Syrian Commission for Justice and Accountability.’ Ofwel: versterking van SCJA, thans CIJA. Verder blijkt de nauwe verwevenheid ook uit een ‘Briefing Note’ van SCJA/CIJA uit 2013, waarin wordt gemeld dat de EU-subsidie is bestemd voor SCJA/CIJA. En ten slotte heeft Jelacic in haar telefoongesprek met Van der Ziel zich beklaagd over de wijze waarop de OLAF-rechercheurs te werk gingen bij een inspectie op het hoofdkantoor van CIJA.
Overigens hebben klagers terecht opgemerkt dat zij geen subsidie van de Nederlandse overheid hebben ontvangen voor het ‘Rule of Law’-project. Dit is aangepast in de onlineversie van het tweede artikel. En weliswaar heeft CIJA uitgelegd hoe de subsidiestroom werkte, zij heeft daarvan geen bewijs geleverd.
Trouw meent dat voor de door OLAF geuite beschuldigingen voldoende steun bestaat in de feiten om daarover te berichten. Daarbij is wel degelijk een duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen.
Het citaat van de oud-medewerker van CIJA over hoe de OLAF-inspectie destijds verliep, betreft geen feitelijke bewering van Trouw. Het is een sfeerbeschrijving van een bron, die Trouw op dit punt betrouwbaar vindt.
Het vonnis van de rechtbank in Brussel is feitelijk en correct samengevat. Er is duidelijk gemaakt dat Tsamota de rechtszaak is gestart, het vonnis betwist en hoger beroep heeft ingesteld.
Verder is voldaan aan de plicht tot wederhoor. Klagers, Wiley en Tsamota hebben ruimschoots de gelegenheid gehad om te reageren op de beschuldigingen van OLAF en het vonnis van de Brusselse rechtbank. Daarbij heeft Wiley duidelijk gemaakt dat Jelacic als enige het woord zou voeren voor CIJA en hij voor Tsamota en zijn eigen persoon. De standpunten van CIJA en Tsamota zijn in beide artikelen duidelijk aan bod gekomen. De publicaties zijn ook in dit opzicht genuanceerd en evenwichtig. Trouw hecht waarde aan het internationaal recht en de vervolging van oorlogsmisdrijven. Zij publiceerde eerder een uitgebreid achtergrondstuk over het Syrische oorlogsmisdrijvenproject. Maar Trouw vindt het tevens relevant om te publiceren als OLAF vervolgens bij zo’n vermaard project mogelijke onvolkomenheden meldt.
Trouw concludeert dat zij journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
De klacht bevat de volgende onderdelen:
– de berichtgeving bevat ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klagers, geuit door personen/organisaties die in conflict zijn met klagers;
– er is geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen;
– er is onvoldoende wederhoor toegepast;
– er is sprake van eenzijdige, tendentieuze en bevooroordeelde berichtgeving;
– Trouw heeft de klacht niet zorgvuldig afgehandeld.
De Raad zal de klachtonderdelen bezien in de context van de gehele berichtgeving en de gewraakte artikelen in onderlinge samenhang beoordelen.
Media hebben een belangrijke taak om misstanden in de samenleving aan de kaak te stellen. Het is dan ook maatschappelijk relevant en journalistiek geboden om onderzoek te verrichten naar en/of te berichten over (mogelijk) misbruik van subsidies verstrekt door de Europese Unie en de betrokkenheid daarbij van klagers.
Trouw heeft aannemelijk gemaakt dat zij gedegen onderzoek heeft verricht en dat zij – zo blijkt ook uit de bestreden publicaties – diverse onafhankelijke bronnen heeft geraadpleegd. Voor Trouw bestond voldoende aanleiding om klagers in de berichtgeving te betrekken en over hen te berichten op de wijze zoals is gedaan. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is dan ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Van enige journalistiek ontoelaatbare vooringenomenheid is niet gebleken.
Voorts is in de berichtgeving afdoende duidelijk gemaakt wanneer sprake is van bevindingen van OLAF; Trouw heeft die niet tot de hare gemaakt. Het vonnis van de rechtbank in Brussel is op een journalistiek juiste wijze vertaald, waarbij expliciet is vermeld dat Tsamota de uitspraak betwist en in hoger beroep gaat.
Uit de stukken blijkt dat voldoende grondslag bestaat voor de weergegeven feiten, met uitzondering van de passage waarin aanvankelijk is beweerd dat CIJA subsidie heeft ontvangen van de Nederlandse overheid voor het ‘Rule of Law’-project. Trouw heeft deze fout erkend en op passende wijze rechtgezet.
Verder bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat in de artikelen een zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave van de kwestie is gegeven, dat daarmee sprake is van niet-waarheidsgetrouwe of tendentieuze berichtgeving.
Uit de berichtgeving blijkt voorts dat wederhoor is toegepast. Trouw heeft zowel klagers als Wiley de gelegenheid gegeven om te reageren. Niet is gebleken dat de reactie van klagers onjuist en/of onvoldoende is verwerkt. Verder is niet gebleken dat de artikelen op dit punt relevante feitelijke onjuistheden bevatten.
Ten slotte vindt de Raad dat Trouw serieus op de klacht heeft gereageerd. Dat klagers zich daarin niet kunnen vinden, is onvoldoende voor de conclusie dat de klachtafhandeling onzorgvuldig is geweest. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de door Trouw rechtgezette omissie.
Een en ander leidt tot de conclusie dat Trouw journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld.
Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A, B.3, C en D
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2020/33, RvdJ 2020/32, RvdJ 2020/9 en RvdJ 2019/52
CONCLUSIE
A. van der Ziel en Trouw hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.
Zo vastgesteld door de Raad op 26 maart 2021 door mr. J.J. van Eck, voorzitter, L.A.M.M. Donders, mw. drs. E.M.H. Lemaier, F.Th.H. Ruys en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. G. Kamminga, plaatsvervangend secretaris.