Samenvatting
NRC heeft in de artikelen “Coldcaseteam denkt dat een Joodse notaris Anne Frank en haar familie verraadde” en “Aanwijzing van de verrader was achteraf toch iets te wankel” aandacht besteed aan het boek ‘Het verraad van Anne Frank’ en de conclusie uit het boek dat Arnold van den Bergh de waarschijnlijke verrader is van de onderduikers in het Achterhuis. De heer mr. W.M. van den Bergh en mevrouw mr. M.J. van den Bergh (klagers) zijn nabestaanden van Arnold van den Bergh.
Door de wijze van presenteren van het nieuws in het eerste artikel in combinatie met het gewicht dat aan het onderzoek is gegeven, heeft NRC onvoldoende distantie in acht genomen tot de conclusie uit het boek. Gelet op de grote gevoeligheid van de kwestie had NRC terughoudender daarover behoren te berichten. Door dit na te laten en in het eerste artikel over de zaak te berichten zoals is gedaan, heeft NRC journalistiek onzorgvuldig gehandeld.
NRC heeft in het tweede artikel – een redactioneel commentaar – wel voldoende afstand in acht genomen tot de conclusie uit het boek en op het eigen handelen gereflecteerd. Ten slotte heeft NRC serieus op de klacht gereageerd. Op deze punten was de handelwijze zorgvuldig.
De Raad voor de Journalistiek doet de aanbeveling aan NRC om deze conclusie ruimhartig te publiceren.
Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
mr. W.M. van den Bergh en mr. M.J. van den Bergh
tegen
de hoofdredacteur van NRC
De heer mr. W.M. van den Bergh en mevrouw mr. M.J. van den Bergh (klagers) hebben op 1 juni 2022 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC. De klacht wordt ondersteund door Stichting Eerherstel notaris Arnold van den Bergh. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van partijen betrokken van 30 juni 2022, 5 juli 2022 en 8 september 2022.
De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 16 september 2022 in aanwezigheid van klagers. Aan de zijde van NRC zijn de heer J. van der Kris, boekenredacteur, de heer M. Garschagen, adjunct-hoofdredacteur, en de heer R. Moerland, hoofdredacteur, verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van notities.
DE FEITEN
Op 17 januari 2022 is op de website respectievelijk in de papieren editie van NRC een artikel van de hand van Van der Kris verschenen met op de website de kop “Coldcaseteam denkt dat een Joodse notaris Anne Frank en haar familie verraadde” en in de papieren editie de kop “’Waarschijnlijk’ was het een Joodse notaris die de familie Frank verraadde”. Op de voorpagina van de papieren editie is het artikel aangekondigd met diverse foto’s en de tekst: “Wie verraadde de familie Frank? Een internationaal coldcaseteam denkt een van de grootste mysteries van de Tweede Wereldoorlog te hebben opgehelderd.” De intro van het artikel luidt:
“Een internationaal ‘coldcaseteam’ deed onderzoek naar het verraad van Anne Frank en de andere onderduikers in het Achterhuis. „Zeer waarschijnlijk” was de Joodse notaris Arnold van den Bergh de verrader.”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“Ze denken dat het hen is gelukt. Dat ze een van de grootste mysteries van de Tweede Wereldoorlog hebben opgehelderd: wie verraadde Anne Frank?
Maar euforisch zijn ze niet, de onderzoekers van het internationale ‘coldcaseteam’ dat zes jaar lang aan de zaak werkte. Ze hadden graag gezien dat de verrader „een schoft” was, „iemand die jaren geleden al geëxecuteerd was”, zegt ‘hoofd onderzoek’ Pieter van Twisk (59). Maar „zeer waarschijnlijk” was het de Joodse notaris Arnold van den Bergh, wiens jongste dochter de leeftijd had van Anne Frank. Hij zou de onderduikers van het Achterhuis hebben verraden om zichzelf en zijn gezin te redden.
De afgelopen decennia zijn al heel wat theorieën de wereld in geslingerd over het verraad van Anne Frank en de andere zeven onderduikers in het wereldberoemde Achterhuis. Het aantal verdachten loopt inmiddels in de tientallen. Maar nog nooit werd er zó grondig onderzoek gedaan. Het idee kwam van filmmaker Thijs Bayens, een vriend van Pieter van Twisk, filosoof en oud-hoofdredacteur van website Planet.nl.
Ze dachten: we pakken het aan als een hedendaags politieonderzoek, dus met gebruikmaking van moderne technieken. Daartoe strikten ze onder meer een gepensioneerde special agent van de FBI, Vince Pankoke, die in het verleden werkte aan zaken tegen de Colombiaanse drugsmaffia. Ze vormden een team van zo’n dertig onderzoekers, hoofdzakelijk historici en criminologen, die ook nog tal van externe deskundigen raadpleegden, waaronder een gedragswetenschapper, een recherchepsycholoog en een handschriftdeskundige. Het onderzoek werd gefinancierd met crowdfunding en bijdragen van de gemeente Amsterdam, particuliere investeerders en uitgevers.
Het onderzoek resulteerde in een boek, Het verraad van Anne Frank, dat in 23 landen verschijnt. (…)
Toen ze in 2017 met hun plan naar buiten traden, volgde een internationale mediastorm. Anne Frank is groter dan Nederland. Verbazing zal nu één van de reacties zijn. Want notaris Arnold van den Bergh kreeg in de talloze publicaties over het Achterhuis tot nu toe nauwelijks aandacht.
Toch was Arnold van den Bergh niet zomaar iemand. Hij was stichtend lid van de Joodse Raad, het orgaan dat de Duitse bezetters gebruikten om de deportatie van Joden te organiseren. Hij woonde de wekelijkse vergaderingen bij van de afdeling emigratie, die lijsten samenstelde van Joden die op transport zouden worden gesteld.”
en:
“Kennis, motief, gelegenheid
In het voorjaar van 2019 had het coldcaseteam de dertig scenario’s waarmee het was begonnen teruggebracht tot twaalf. De onderzoekers zochten naar bewijzen dat een iemand beschikte over de kennis om de onderduikers te verraden, een motief om dat te doen, en ook de gelegenheid. Er werd onder meer gebruikgemaakt van geavanceerde software om documenten en databestanden makkelijk te kunnen doorzoeken. (…)
Een voor een vielen verdachten af, tot er uiteindelijk nog vier leads over waren. Drie daarvan waren het volgens de onderzoekers om verschillende redenen waarschijnlijk niet: kennis, motief en gelegenheid om het verraad te plegen ontbraken, of er klopte iets niet in de tijdlijn.”
en:
“Anoniem briefje
Cruciaal in het onderzoek was een anoniem briefje dat Otto Frank kort na de bevrijding ontving. Frank vertelde erover aan de rijksrechercheur Arend van Helden, die de zaak van het Achterhuis in 1963-64 onderzocht. In dat briefje stond: „Uw schuilplaats te Amsterdam werd indertijd medegedeeld aan de Jüdische Auswanderung te Amsterdam, Euterpestraat, door A. van den Bergh, destijds woonachtig nabij het Vondelpark, O. Nassaulaan. Bij de J.A. bestond er een hele lijst door hem doorgegeven adressen.”
Helemaal nieuw is het verhaal van dat briefje niet. David Barnouw en Gerrold van der Stroom noemden het in 2003 kort in hun boek Wie verraadde Anne Frank? Nieuw is wel dat de onderzoekers van het coldcaseteam een afschrift van dat briefje vonden, nadat ze de zoon van rechercheur Van Helden hadden opgespoord. Hij had nog wat dossiers van zijn vader. Uit forensisch onderzoek bleek dat een afschrift van het origineel was getypt op de schrijfmachine van Otto Frank.
Een anonieme beschuldiging is natuurlijk nog geen bewijs. Maar de onderzoekers namen het serieus: het briefje was verstuurd voordat het Achterhuis beroemd werd, dus misschien klopte het gewoon. Had Arnold van den Bergh de kennis om de onderduikers van het Achterhuis te verraden? Het zou kunnen, Pieter van Twisk sprak een getuige die verklaarde dat de Joodse Raad lijsten met adressen van onderduikers had. Sytze van der Zee schreef al over een ander lid van de Joodse Raad dat adressen had en aan de Duitsers gaf: Rudolf Pollak.
Een motief lag voor de hand. Vaststaat dat Van den Bergh wanhopig probeerde zijn gezin in veiligheid te brengen. Eerst zorgde hij ervoor dat hij als lid van de Joodse Raad een Sperre kreeg. Daarmee was hij vrijgesteld van transport – zolang de Duitsers dat wenselijk vonden. Spectaculairder was dat hij het ook voor elkaar kreeg dat de ‘J’ van Joods van zijn persoonsbewijs werd geschrapt, omdat hij slechts één Joodse voorouder zou hebben. Maar een collega-notaris die hem kwaad gezind was tekende daar – met succes – bezwaar tegen aan.
Besloot Van den Bergh vervolgens tot een wanhoopsdaad? De onderzoekers denken dat hij in de gelegenheid was. Van den Bergh had goede contacten met vooraanstaande Duitsers. Zo was hij close met Alois Miedl, een Duitse kunsthandelaar en net als hij een liefhebber van oude schilderkunst. In 1940 kocht Miedl samen met rijksmaarschalk Hermann Göring de beroemde schilderijenverzameling van Jacques Goudstikker. Van den Bergh was de notaris bij die deal en kreeg een deel van de opbrengst.
Volledig van de radar
De onderzoekers spoorden ook een kleindochter van Van den Bergh op. Die kon niet vertellen waar haar grootvader het laatste jaar van de oorlog was. Hij verdween volledig van de radar. Maar hij overleefde de oorlog, net als zijn gezin. In 1950 overleed hij aan keelkanker.
Pieter van Twisk geeft toe: voor een rechter zou het bewijs waarschijnlijk niet voldoende zijn. Maar van alle theorieën over het verraad van het Achterhuis is deze de best onderzochte en meest waarschijnlijke, denkt hij. De onderzoekers zijn ervan overtuigd dat Otto Frank wist wie de verrader was. Net als Miep Gies, één van de helpers van de onderduikers met wie hij heel close was. Gies zei tijdens een lezing in de VS (per ongeluk?) dat de dader in 1960 niet meer leefde.
Maar als Otto Frank wist wie zijn gezin had verraden, waarom maakte hij daar dan niet meer werk van? Van Twisk denkt dat Frank de kinderen van de notaris niet wilde belasten. Tegen zijn neef Buddy Elias zei Frank dat hij de schuldige daarom niet wilde laten vervolgen.
En bedenk, zegt Van Twisk: „Frank was erg bezig met het antisemitisme dat na de oorlog opnieuw opkwam. Hij was waarschijnlijk bang dat dit zou worden aangegrepen om te zeggen: kijk, die Joden hebben het allemaal zelf gedaan.”
Is het dan moreel wel juist om nu met dit verhaal naar buiten te komen? De onderzoekers hebben daarover wel getwijfeld, zegt Van Twisk. Ze gingen onder meer te rade bij een rabbijn. „Die zei: de waarheid is het hoogste goed.””
Op 19 januari 2022 is op de website en in de papieren editie van NRC een redactioneel commentaar verschenen met de kop “Aanwijzing van de verrader was achteraf toch iets te wankel”. Het artikel luidt verder:
“Is het verraad van de schuilplaats van Anne Frank en haar familie een geschikt onderwerp voor een ‘true crime’-verhaal? Een populair mediagenre waarin waargebeurde misdrijven worden uiteengerafeld, de personages echte mensen zijn en er bij voorkeur ook een oplossing wordt aangereikt. Als het tenminste om een cold case gaat. In één van de minder geslaagde uitzendingen van zijn tv-programma dacht misdaadverslaggever Peter R. de Vries ooit de moord op J.F. Kennedy te kunnen oplossen. Dat bleek dus niet zo te zijn.
Die associatie doet wellicht onrecht aan de vast even integere poging van een groep particuliere onderzoekers om alsnog de verrader van Anne Franks onderduikplaats te achterhalen. En wel met behulp van moderne forensische en data-technieken. Er blijkt, ook onder historici, duidelijk waardering te bestaan voor de grote hoeveelheid materiaal die zo is onderzocht, de grondige methodiek en het ontzenuwen van de vele theorieën die na publicatie van Het Achterhuis zijn ontwikkeld over de toedracht. Was het toeval, opzet, samenloop, misverstand, bijvangst?
Volgens dit onderzoek, dat deze week wereldwijd aandacht trok, was het waarschijnlijk het handelen van een Joodse notaris die zitting had in de Joodse Raad. De onderzoekers claimden met ‘85 procent zekerheid’ dat te mogen concluderen uit een (overgetypt) anoniem briefje en een beredeneerd motief. Namelijk dat de (ondergedoken) notaris en zijn gezin zelf zo meer kans op redding zouden maken. De ene Joodse onderduiker die de ander verraadt dus? En die 85 procent is dan de vrucht van ‘forensische statistiek’, wat sinds de dwaling in de zaak-Lucia de B. op zichzelf juist reden voor extra voorzichtigheid zou moeten zijn. Deze verpleegkundige werd achteraf ten onrechte veroordeeld omdat het onder meer statistisch uitgesloten werd geacht dat er zóveel patiënten tijdens haar diensten overleden. De werkelijkheid was toch anders.
‘Bij grote beschuldigingen horen grote bewijzen’ oordeelde hoogleraar Johannes Houwink ten Cate over de veronderstelde oplossing van de zaak-Anne Frank, terecht, in NRC en elders. En die zijn dus niet gevonden, tegen de desondanks bij naam genoemde verdachte. Die zich niet meer kan verdedigen, maar nu wel voor altijd is geblameerd. Anne Frank is immers wereldwijd uitgegroeid tot het aangrijpende symbool van de Jodenvervolging – het absolute kwaad vs. het onschuldige kind met haar dromen intact en haar leven voor zich. Wat niet zo mocht zijn.
Daar is nu dus een kennelijke dader bij gevonden, wat helemaal past bij het mediaformat van dit genre. Ook de regie van de onthulling was daaraan dienstbaar. Een streng embargo dat het tevoren voorleggen aan andere deskundigen niet toestond. Daardoor was gegarandeerd dat de, achteraf toch iets te wankele identificatie van de verrader overal centraal stond in de berichtgeving. Het netto effect was dat van een ‘trial by media’, die pas in de follow-up de noodzakelijke kanttekeningen konden verzamelen. Ook de enscenering, met fotoborden, plattegronden en een nonchalant FBI-jasje op een stoel riekt naar (Amerikaans) tv-beeld. Hier sprak de mediamarkt een woordje mee.
Zoiets is een les voor media zélf. De conclusie is in elk geval dat een uitputtend onderzoek met nieuwe technieken alleen een mogelijke aanwijzing heeft opgeleverd. Maar geen doorslaggevend bewijs.”
NRC heeft in meer publicaties aandacht aan de kwestie besteed, maar de klacht richt zich alleen tegen de hiervoor bedoelde artikelen. Klagers zijn nabestaanden van Arnold van den Bergh.
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Klagers stellen – samengevat – het volgende. NRC heeft onzorgvuldig gehandeld in de berichtgeving over het boek, door klakkeloos en zonder relevant voorbehoud het narratief weer te geven dat Arnold van den Bergh de (meest) waarschijnlijke verrader is geweest van de onderduikers in het Achterhuis. Door het artikel van 17 januari 2022 groots op de voorpagina aan te kondigen heeft NRC volledig miskend dat met opzienbarende publicaties rond Anne Frank, internationaal erkend als de icoon van de Holocaust, uiterst omzichtig moet worden omgegaan. Wie zo overduidelijk de conclusie uit het boek voor het voetlicht brengt, committeert zich daaraan. NRC heeft zich niet gedistantieerd van die conclusie, terwijl er geen enkele noodzaak bestond om deze uiterst gevoelige materie zonder slagen om de arm aan het lezerspubliek door te geven.
Volgens klagers heeft NRC verder onzorgvuldig gehandeld door een embargo met daaraan gekoppelde geheimhoudingsplicht te aanvaarden en (daardoor) niet te toetsen of de inhoud van het boek op feitelijke informatie berust. NRC had wederhoor moet toepassen of – als alternatief – de inhoud van het boek moeten voorleggen aan deskundigen, in plaats van mee te gaan met het beschuldigen van de al lang geleden overleden Arnold van den Bergh. De redactie had bijvoorbeeld kunnen rondbellen met de vraag of de Joodse Raad inderdaad beschikte over lijsten met onderduikadressen. Bovendien had NRC door het raadplegen van literatuur kunnen weten dat de onderbouwing voor de conclusie uit het boek niet klopt. Zo volgt uit de dissertatie van dr. Van Boomgaard dat Arnold van den Bergh al vanaf februari 1944 met zijn gezin was ondergedoken. Hij had dus geen enkel motief om in augustus 1944 de onderduikers in het Achterhuis te verraden, zoals in het boek wordt gesteld.
Verder menen klagers dat NRC niet afdoende heeft gereflecteerd op de eigen berichtgeving en die onvoldoende heeft gecorrigeerd. Bovendien heeft NRC nagelaten excuses aan te bieden aan belanghebbenden, zowel voor als nadat de conclusie van het boek door deskundigen was weerlegd in een rapport van 22 maart 2022. In het redactioneel commentaar hinkt NRC nog steeds op verschillende gedachten, terwijl de redactie onomwonden het boetekleed had moeten aantrekken. Op de zitting voegen klagers hieraan toe dat in dit artikel Arnold van den Bergh nog steeds wordt gepresenteerd als verrader voor wiens verraad net te weinig bewijs is. Verder heeft NRC nergens bericht dat Arnold van den Bergh voor onschuldig moet worden gehouden en ten onrechte als verrader ten tonele is gevoerd.
NRC heeft de nagedachtenis van een onschuldige Holocaust-overlevende, die zich niet meer kon verdedigen, ondergeschikt gemaakt aan een primeur en bijgedragen aan de bevestiging van een antisemitisch vooroordeel, aldus klagers.
NRC stelt hier – eveneens samengevat – het volgende tegenover. NRC bestrijdt dat de artikelen kritiekloos zijn en dat de conclusie uit het boek klakkeloos is overgenomen. De woorden ‘waarschijnlijk’ en ‘zeer waarschijnlijk’ staan tussen aanhalingstekens; het gaat niet om kwalificaties van NRC, maar om citaten die worden toegeschreven aan de onderzoekers. Het artikel van 17 januari 2022 begint ook met een voorbehoud doordat wordt gesteld dat de onderzoekers ‘denken’ dat het ze is gelukt op te helderen wie Anne Frank heeft verraden. Ook is vermeld dat het bewijs waarschijnlijk voor een rechter niet voldoende is. De context van dit artikel is niet dat Arnold van den Bergh de dader is, maar dat het onderzoeksteam komt met een nieuwe theorie. De kwalificatie van NRC dat het onderzoek grondig was, was op het moment van publicatie verdedigbaar.
Verder wijst NRC erop dat Van der Kris geen onderzoeksjournalist is, maar een boekenredacteur met als specialisatie non-fictie. Het is voor hem ondoenlijk om ieder boek dat hij wekelijks bespreekt te behandelen als een project waarin hij het werk van de auteurs over doet. Van der Kris beoordeelt elk te verschijnen boek op inhoud en context en dat is ook wat hij in dit geval heeft gedaan. In het weekend voor het verstrijken van het embargo heeft hij kort contact gehad met een externe deskundige die in de lijst achter in het boek is opgenomen. De deskundige meende dat het afschrift van het briefje een prachtige vondst was. Verder zei hij dat er belangrijke vragen open lagen, maar hij sprak ook grote waardering uit voor het boek. Natuurlijk had de redactie het goede journalistieke instinct om in een vervolgstuk de conclusie uit het boek voor te leggen aan niet-betrokken deskundigen. In de avond van 17 januari 2022 is dan ook online een artikel met reacties van deskundigen verschenen.
NRC betwist dat er gebrek was aan journalistieke reflectie. Achteraf bezien was de redactie ontevreden over de presentatie van het artikel van 17 januari 2022, waarin te veel was meegegaan in het beeld dat het onderzoek een quasi-justitieel onderzoek betrof. Tegelijkertijd is NRC het boek en het onderzoek blijven behandelen als journalistiek onderwerp en zijn diverse vervolgartikelen gepubliceerd. De reflectie die klagers verlangen zit in de uitgebreide verslaggeving en in het veelvoud van invalshoeken. Op de zitting voegt NRC hieraan toe dat voor de lezers die alle artikelen hebben gelezen duidelijk is dat de theorie over Arnold van den Bergh geen andere plek inneemt dan alle overige theorieën over het verraad van Anne Frank. Van een bijdrage aan het verspreiden van een antisemitisch sentiment is geen sprake. Van der Kris heeft Van Twist juist bevraagd over het aanwijzen van een Joodse notaris als mogelijke dader. In het artikel van 17 januari 2022 is dat ongemak benoemd.
Tot slot is NRC van mening dat de klacht van klagers serieus is genomen en adequaat is beantwoord. Zo heeft er een uitgebreid gesprek met klagers plaatsgevonden waaraan is deelgenomen door de hoofdredactie.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Kern van de klacht is dat NRC in het artikel van 17 januari 2022 onvoldoende afstand in acht heeft genomen tot de conclusie uit het boek dat Arnold van den Bergh de (meest) waarschijnlijke verrader is geweest van de onderduikers in het Achterhuis, niet afdoende heeft gereflecteerd op de eigen berichtgeving en de klacht niet adequaat heeft afgehandeld. De Raad zal zich tot deze kern beperken.
De Raad stelt voorop dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Dit brengt ook mee dat het aan de redactie is om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.
Het stond NRC daarom vrij om in het artikel van 17 januari 2022 de conclusie uit het boek te brengen als nieuws met rapportage-elementen, in plaats van die conclusie te bespreken in een boekrecensie.
Het voorgaande neemt niet weg dat het belang dat met een publicatie is gediend moet worden afgewogen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. Het gaat in dit geval om een zeer beladen onderwerp, met een verdachte die zich niet meer kan verdedigen, waarbij bijzondere zorgvuldigheid moet worden betracht.
In het artikel van 17 januari 2022 heeft NRC diverse termen uit het boek overgenomen, zoals ‘internationaal coldcaseteam’, ‘moderne technieken’ en ‘special agent van de FBI’, die al de indruk wekken dat sprake is van een uitzonderlijk onderzoek. Daar heeft NRC het niet bij gelaten; de redactie heeft het onderzoek zelf nog meer gewicht gegeven door te vermelden dat ‘er nog nooit zó grondig onderzoek werd gedaan’ en termen te gebruiken als ‘hedendaags politieonderzoek’ waartoe de special agent is ‘gestrikt’, ‘geavanceerde software’ en ‘een team van zo’n dertig onderzoekers, hoofdzakelijk historici en criminologen’ [in de lijst achter in het boek zijn tien van de dertig leden van het coldcaseteam aangeduid als historicus en/of criminoloog, RvdJ].
Daarnaast bevat de berichtgeving diverse foto’s, waaronder een foto waarop de onderzoeksruimte van de onderzoekers is te zien. In de papieren editie is het artikel bovendien breed aangekondigd op de voorpagina.
Deze presentatie van het nieuws in combinatie met het gewicht dat NRC aan het onderzoek heeft gegeven, biedt de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat Arnold van den Bergh daadwerkelijk de (meest) waarschijnlijke verrader is geweest van de onderduikers in het Achterhuis. Dat NRC door middel van aanhalingstekens bepaalde kwalificaties voor rekening van de onderzoekers heeft gelaten is in het licht van het voorgaande onvoldoende. NRC heeft aldus onvoldoende distantie in acht genomen tot de conclusie uit het boek.
Gelet op de onmiskenbaar grote gevoeligheid van de kwestie had NRC terughoudender daarover behoren te berichten, bijvoorbeeld door een kritischer benadering van het onderzoek – met meer distantie tot de conclusie uit het boek. Het met de uitgever overeengekomen embargo had NRC niet hoeven beletten beschikbare literatuur over het onderwerp te raadplegen waaruit op onderdelen een ander beeld naar voren komt dan door de onderzoekers gepresenteerd. Daarvoor was voldoende tijd beschikbaar. Ook een soberder presentatie van het onderzoek had kunnen bijdragen aan de in acht te nemen afstand. Door dit na te laten en over de zaak te berichten zoals is gedaan, heeft NRC journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Dat in vervolgpublicaties kritisch is gereflecteerd op de eigen presentatie van het nieuws en meer genuanceerd over de kwestie is bericht, doet daaraan niet af.
In het redactioneel commentaar van 19 januari 2022 heeft NRC wel afdoende afstand in acht genomen tot de conclusie uit het boek. NRC heeft in dat artikel uitgebreid op het eigen handelen gereflecteerd en daarbij voldoende de hand in eigen boezem gestoken. Het gaat te ver NRC te verwijten dat vorm en inhoud van de publicaties hebben bijgedragen aan de bevestiging van een antisemitisch vooroordeel.
NRC heeft verder serieus op de klachten over beide publicaties gereageerd en is ook met klagers in gesprek gegaan. Dat klagers zich niet kunnen vinden in de reactie van NRC, is onvoldoende voor de conclusie dat de klachtafhandeling onzorgvuldig is geweest.
Op deze punten heeft NRC zorgvuldig gehandeld.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat NRC deels onzorgvuldig heeft gehandeld.
Relevante punten uit de Leidraad: A., B.4 en C.
Relevante eerdere conclusies: RvdJ 2022/26 en RvdJ 2018/38
CONCLUSIE
Voor zover de klacht inhoudt dat NRC in het artikel van 17 januari 2022 onvoldoende afstand in acht heeft genomen tot de conclusie uit het boek dat Arnold van den Bergh de waarschijnlijke verrader is geweest van de onderduikers in het Achterhuis, heeft NRC journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Verder was de handelwijze van NRC zorgvuldig.
De Raad doet de aanbeveling aan NRC om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.
Zo vastgesteld door de Raad op 18 november 2022 door mr. J.J. van Eck, voorzitter, S.A. Agterberg, L.A.M.M. Donders, mw. M. ten Katen en mw. drs. E.M.H. Lemaier, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. G. Kamminga, plaatsvervangend secretaris.