2021/6 Zorgvuldig

X / de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

Samenvatting

Het Brabants Dagblad heeft in het artikel “[woonplaats]aar (64) ontdekt bij rechtszaak dat zijn zus dood is” op journalistiek zorgvuldige wijze bericht over een strafzaak waarbij klager is betrokken. Voor de berichtgeving bestond voldoende grondslag. Nu het artikel met name verslaglegging van een rechterlijke procedure bevat, was het toepassen van wederhoor niet nodig.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

De heer X te […] (klager) heeft op 19 juli 2020 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad. Nadat de secretaris klager op 20 juli 2020 heeft geïnformeerd over de klachtprocedure, heeft klager op 24 september 2020 laten weten dat hij de klacht wenst te handhaven. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klager en L. van Houtert, hoofdredacteur, betrokken van 3, 19,  28 en 30 oktober 2020.

De zaak is met toestemming van partijen buiten hun aanwezigheid behandeld op de zitting van de Raad van 27 november 2020.

Daarbij tekent de Raad aan dat de heer E.J. Schievink als Raadslid heeft deelgenomen aan de behandeling ter zitting, maar inmiddels geen deel meer uitmaakt van de Raad. De beslissing over de klacht is vastgesteld door de voorzitter en de overige drie Raadsleden.

DE FEITEN

Op 9 juni 2020 verscheen in het Brabants Dagblad een artikel met de kop “[woonplaats]aar (64) ontdekt bij rechtszaak dat zijn zus dood is”. De intro van het artikel luidt:
“Een Bredase ondernemer, woonachtig in België, wordt al twintig jaar belaagd door zijn [woonplaats]se ex-zwager omdat hij diens zus benadeeld zou hebben. Maar tijdens de strafzitting hoort de verdachte dat zijn zus al geruime tijd eerder is overleden.”

Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Tijdens de slopende rechtszaak in Breda spreekt officier van justitie Marjolijn Soomers van een ongekend langdurige en hardnekkige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de 66-jarige Bredase zakenman. „Triest, respectloos en uiterst pijnlijk voor hem en zijn familie.” Ze vordert een harde straf tegen de [woonplaata]aar, ondanks diens leeftijd: één jaar onvoorwaardelijk. En een contactverbod van vijf jaar, met drie dagen cel voor iedere overtreding. In reactie op haar eis besluit de verdachte de gehele rechtbank te wraken. En dus kunnen deze rechters vooralsnog geen uitspraak doen. De beklaagde vindt dat hij geen eerlijk proces krijgt. Het strafdossier is wat hem betreft onvolledig. Steen des aanstoots voor hem is nog steeds de echtscheiding tussen zijn zus en ex-zwager in 2001.”
en:
“De [woonplaats]aar heeft zich sindsdien als een terriër vastgebeten in de materie. Zijn zus was niet in staat voor zichzelf op te komen, stelt hij. Zij verbleef in een zorgcentrum.
De verdachte zat eerder al een half jaar vast voor deze zaak. Dat weerhield hem er niet van om al vanuit de PI Vught door te gaan met zijn spervuur aan brieven. Hij moest zich nu opnieuw verantwoorden voor belaging van 2016 tot 2018.”

DE STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN

Klager stelt – samengevat – het volgende. De publicatie wijkt zodanig af van het werkelijke verloop van de strafzitting van 5 juni 2020, dat geen sprake is van een rechtbankverslag. Het artikel bevat diverse onjuistheden, zoals de naam van de officier van justitie. Ook is onjuist dat de belaging twintig jaar heeft geduurd; hij is onherroepelijk vrijgesproken ten aanzien van de periode 2001-april 2009. Ook was de wraking om andere redenen dan in het artikel is vermeld. Bovendien is ten onrechte geen wederhoor toegepast.
Volgens klager is sprake van laster. Hij meent dat het Brabants Dagblad in strijd heeft gehandeld met diverse journalistieke codes.

Het Brabants Dagblad stelt daar – eveneens samengevat – het volgende tegenover. Bij verslaggeving van rechtszaken is het niet noodzakelijk om wederhoor toe te passen. De partijen worden immers door de rechter gehoord en alle relevante zaken worden geacht daar te passeren. Daarvan is een evenwichtig verslag gemaakt, waarbij de meest relevante aspecten van de zaak zijn vermeld. Van journalistiek onzorgvuldig handelen is geen sprake.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het artikel behelst een verslag van de rechtszitting in de strafzaak tegen klager. Voor de gemiddelde lezer is duidelijk dat de publicatie de observaties van de verslaggever bevat. Niet is gebleken dat in het artikel een vertekend beeld of onzorgvuldige weergave van de rechtszitting is gegeven.

Daarbij merkt de Raad op dat klager zich kennelijk sinds de scheiding van zijn zus in 2001 – dus nagenoeg 20 jaar – heeft gericht tegen zijn ex-zwager. In dat licht bezien mocht in het artikel worden vermeld dat klager zijn zwager ‘al twintig jaar belaagt’. De term ‘belaging’ moet hier ruim worden opgevat in de betekenis van ‘lastigvallen’ en niet in de strikt juridische betekenis. Het gebruik van die term is dan ook niet ontoelaatbaar. Dat klager voor een deel van de periode zou zijn vrijgesproken, doet daaraan niet af.
Klager betwist verder niet dat hij de rechtbank heeft gewraakt. Aangezien de gronden voor die wraking niet zijn vermeld, is geen sprake van een feitelijk onjuiste weergave.
Ook overigens is niet gebleken dat het artikel relevante feitelijke onjuistheden bevat.

Nu het artikel met name verslaglegging van een strafzaak bevat, was het toepassen van wederhoor niet nodig.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Brabants Dagblad journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en B.3
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2020/33 en RvdJ 2018/39

CONCLUSIE

Het Brabants Dagblad heeft zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 25 januari 2021 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, mw. L.M. van de Langenberg Msc, H.P.M.J. Schneider en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. N. Tibold, plaatsvervangend secretaris.