2020/38 Afgewezen

J.M.H. Palmen - verzoeker inzake herziening conclusie RvdJ 2020/26 / de hoofdredacteur van L1

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om de conclusie RvdJ 2020/26 over een klacht van J.M.H. Palmen (verzoeker) tegen L1 te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

J.M.H. Palmen

tot herziening van de conclusie van de Raad van 24 juli 2020 (RvdJ 2020/26) betreffende zijn klacht tegen

de hoofdredacteur van L1

De heer J.M.H. Palmen te Brunssum (verzoeker) heeft op 18 augustus 2020 verzocht om herziening van de conclusie van 24 juli 2020 inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van L1. Bij de beoordeling van het herzieningsverzoek is verder correspondentie van verzoeker en de heer R. van Well, hoofd nieuws, betrokken van 24 augustus 2020 en 15 september 2020.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 25 september 2020 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Verzoeker heeft op 19 maart 2020 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van L1 over het artikel “Omstreden wethouder Jo Palmen treedt af”.

Op 24 juli 2020 heeft de Raad geconcludeerd dat de hoofdredacteur van L1 journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is aan de journalist om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Dat neemt niet weg dat de journalist het belang dat met een publicatie is gediend dient af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad.
Verder is het journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp(er) wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. Daarmee worden de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel. Dat is hier niet het geval.
Klager heeft aangevoerd dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat, maar heeft zijn stellingen ter zake niet nader onderbouwd. Aldus is niet gebleken dat in het artikel een zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave van de kwestie is gegeven, dat daarmee sprake is van niet-waarheidsgetrouwe berichtgeving.
L1 heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er voldoende aanleiding bestond om klager te omschrijven als ‘omstreden’. De belangen van klager zijn met die aanduiding niet onevenredig geschaad. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat klager een publiek figuur is, die zelf regelmatig de publiciteit zoekt. Hij zal zich daarom een zekere mate van ongewilde publiciteit moeten laten welgevallen.
Ten slotte staat niet ter discussie dat L1 klager meermaals gelegenheid tot wederhoor heeft geboden. Klager had daarmee de berichtgeving kunnen nuanceren. Dat hij om hem moverende redenen ervoor heeft gekozen niet te reageren, kan L1 niet met succes worden tegengeworpen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker stelt – kort samengevat – het volgende. De conclusie berust op aannames en/of feiten die ten onrechte als vaststaand zijn aangenomen. Zo heeft de Raad in zijn beoordeling meegenomen dat de uitleg die door L1 aan de term ‘omstreden’ is gegeven – te weten: ‘veel besproken en verschillend beoordeeld’ – juist is. Dit is echter niet het geval; het ‘veel besproken’ worden in de media, is op onjuiste feiten gebaseerd. Ook de vermelding door L1 dat zijn benoeming in mei 2018 een punt van discussie was, klopt niet. Daarnaast heeft L1 hem voorafgaand aan de publicatie niet om wederhoor verzocht, maar pas dagen daarna. Verder kan hij, anders dan de Raad in zijn conclusie stelt, wel degelijk onderbouwen dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat. Zo kan de kwestie over de respectloze uitspraken die hij zou hebben gedaan, worden weerlegd door de opgenomen raadsvergaderingen op de website van de gemeente Brunssum te beluisteren. Volgens verzoeker heeft hij ook voldoende aannemelijk gemaakt dat L1 zelf geen feitenonderzoek heeft gedaan en ook geen openbare bronnen heeft geraadpleegd, waaruit had kunnen worden afgeleid dat er geen kwestie bestond over een stuk grond. Ten slotte heeft de Raad ongenuanceerd aangevoerd dat verzoeker zelf regelmatig de publiciteit zou zoeken. Al met al is de conclusie in strijd met verschillende uitgangspunten die zijn opgenomen in de Leidraad van de Raad.

L1 verwijst naar het verweer dat is gevoerd tegen de klacht van 19 maart 2020.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien de verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Verzoeker heeft dit niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

In essentie vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet echter niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoeker het niet eens is met de afwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2020/21
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 10 november 2020 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, S. Kuijper, mw. drs. E.H.M. Lemaier, A. Olgun en F.Th.H. Ruys, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.E.H.J. Vollaers, plaatsvervangend secretaris.