2024/10 Afgewezen

X - verzoeker inzake herziening conclusie RvdJ 2023/33 / K. Voskuil en R. Rijpma, hoofdredacteur van het AD

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om de conclusie RvdJ 2023/33 over een klacht tegen K. Voskuil en R. Rijpma (AD) te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 6 december 2023 (RvdJ 2023/33) betreffende zijn klacht tegen

K. Voskuil en R. Rijpma, hoofdredacteur van het AD

De heer X te [woonplaats] (verzoeker) heeft op 6 december 2023 verzocht om herziening van de conclusie van diezelfde dag inzake zijn klacht tegen K. Voskuil en R. Rijpma, hoofdredacteur van het AD (hierna samen: het AD).

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 2 februari 2024 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Verzoeker heeft op 7 september 2023 een klacht ingediend tegen het AD over het op 16 januari 2017 verschenen artikel met de kop “Vechtscheiding: mag moeder misbruikhistorie van ex melden?”.

Op 6 december 2023 heeft de Raad geconcludeerd dat de klacht niet inhoudelijk wordt behandeld.
De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“Volgens artikel 2a van het Reglement moet een klager zijn bezwaren over een publicatie eerst voorleggen aan het betrokken medium, voordat hij zijn klacht bij de Raad kan indienen. Dit dient te gebeuren binnen drie maanden na het plaatsvinden van de journalistieke gedraging waartegen klager bezwaar heeft. Daarna heeft het medium maximaal één maand de gelegenheid om de klacht af te handelen.
Vervolgens kan de klager zijn klacht indienen bij de Raad en wel uiterlijk binnen zes maanden na de gewraakte publicatie. Indien een klacht niet tijdig is ingediend wordt deze niet inhoudelijk behandeld maar wordt volstaan met de constatering van de niet tijdige indiening van de klacht.
Deze constatering blijft achterwege indien redelijkerwijs moet worden geconcludeerd dat de niet tijdige indiening van de klacht niet voor rekening van de klager behoort te komen.
De publicatie dateert van 16 januari 2017, zodat de klacht vóór 16 juli 2017 bij de Raad ingediend had moeten worden. Dat is niet gebeurd. Dat het AD in 2023 nog met klager over de kwestie heeft gecommuniceerd en klager zich vervolgens tot de Raad heeft gewend, betekent niet dat daarmee de overschrijding van de termijn teniet is gedaan.
Niet is gebleken dat de overschrijding van de termijn klager in redelijkheid niet kan worden verweten. De termijnenregeling in de procedure van de Raad schept duidelijkheid en biedt rechtszekerheid voor de bij een klachtprocedure van de Raad betrokken partijen. Zo geeft de regeling in die zin bescherming aan een journalist of medium, dat zij in beginsel niet tot in lengte van dagen, maar voor een afgebakende periode, rekening hoeven te houden met een klacht over een journalistieke gedraging. Daarom kan alleen in zeer bijzondere omstandigheden op de termijnenregeling een uitzondering worden gemaakt. Daarvan is hier geen sprake.
Dat de kinderen van klager in 2017 nog jong waren en rectificatie nieuwe (media-)aandacht zou hebben betekend, is geen bijzondere omstandigheid die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakt. Klager had op vertrouwelijke basis aan het AD kenbaar kunnen maken dat hij zich niet kon vinden in het artikel, zodat partijen in onderling overleg hadden kunnen bezien of zij op een voor klager bevredigende (veilige) wijze tot een oplossing van het probleem konden komen. Vervolgens had klager zijn klacht tijdig bij de Raad kunnen indienen met een verzoek om behandeling achter gesloten deuren en anonimisering van de conclusie. Ook had klager de mogelijkheid om zijn klacht pro forma in te dienen.”

Bij de weergave van het standpunt van verzoeker heeft de Raad het volgende vermeld:
“Klager stelt – kort samengevat – het volgende. Het artikel bevat feitelijke onjuistheden. Daarnaast wordt hij in het artikel beschuldigd en gediskwalificeerd. Het AD heeft hem daarom ten onrechte destijds niet om wederhoor gevraagd. Verder heeft het AD in 2023 toegezegd alsnog werk te maken van het wederhoor. Het AD heeft daarop vervolgens ten onrechte geen actie ondernomen en ten onrechte niet gerectificeerd. De recente discussie met de hoofdredacteur was aanleiding om de klacht nu in te dienen.
Klager heeft zijn klacht niet eerder ingediend omdat hij in 2017 een gezin had met kinderen van acht, elf en twaalf jaar. Hij was bang dat zij in hun directe leefomgeving (thuis, basisschool, sportclubs) met pedofilieverhalen te maken zouden krijgen. Niet alleen heeft hij in de periode 2017-2023 relevant bewijsmateriaal op tafel gekregen, maar bovendien zijn de kinderen nu een stuk ouder en minder kwetsbaar. Daarom durft hij nu wel een klacht in te dienen. Rectificatie in 2017 zou nieuwe media-aandacht hebben betekend en dat was destijds te gevaarlijk voor zijn kinderen.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker stelt – kort samengevat – dat de Raad de klacht ten onrechte heeft geframed in het kader van een vechtscheiding. Er zijn bepaalde essentiële en relevante feiten weggelaten, waardoor een onjuist beeld van de klacht is geschetst, terwijl het gaat om het maatschappelijk relevante onderwerp pedonet-complotdenken. Volgens verzoeker zijn de feiten zodanig, ook gelet op alle ontwikkelingen na de publicatie van 16 januari 2017, dat na zoveel jaren nog rectificatie nodig is. De Raad heeft volgens verzoeker verder niet onderkend dat zijn zoon pas sinds kort kennis heeft van alle valse aantijgingen. Bovendien is de klacht over het weigeren van rectificatie door de hoofdredacteur van het AD wel tijdig ingediend, maar niet beoordeeld door de Raad.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

De Raad stelt allereerst vast dat het herzieningsverzoek is ingediend in 2023 en betrekking heeft op een conclusie uit datzelfde jaar. Op basis van het op dat moment geldende reglement is herziening van een eerder gedane conclusie alleen mogelijk indien een verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust ‘op feiten van de juistheid waarvan de Raad ten onrechte is uitgegaan’. Verzoeker heeft dit niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder in de procedure heeft geformuleerd en die de Raad (in de kern) heeft betrokken bij zijn oordeel. Niet is gebleken dat de Raad zijn oordeel op onjuiste constateringen heeft gebaseerd.
In essentie vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht, waaronder begrepen zijn standpunten over de niet-tijdige indiening ervan, omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet echter niet in een dergelijke (hoger beroep) procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting of uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad (onder meer): RvdJ 2023/24 en RvdJ 2023/13
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 1 maart 2024 door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mr. drs. W.L. Boersema, S. Kuijper, dr. J. Luttikhold en M. Stenneke, leden in tegenwoordigheid van mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. G.A. van de Sluis, plaatsvervangend secretaris.