2023/31 Niet inhoudelijk behandeld

M. Vermeulen en dr. E.N.H. Jansen Steur / de hoofdredacteur van het AD

Samenvatting

Het AD heeft in een video met bijbehorend onderschrift aandacht besteed aan een grote medische strafzaak. De heer M. Vermeulen kan niet worden beschouwd als rechtstreeks belanghebbende en de heer dr. E.N.H. Jansen Steur heeft zijn klacht niet juist ingediend. De Raad heeft de klacht daarom niet inhoudelijk behandeld.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klachten van

M. Vermeulen en dr. E.N.H. Jansen Steur

tegen

de hoofdredacteur van het AD

De heer M. Vermeulen te Amsterdam heeft op 4 april 2023 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het AD. Nadat Vermeulen uitvoerig met het secretariaat van de Raad heeft gecorrespondeerd, heeft hij op 8 augustus 2023 kenbaar gemaakt dat de heer dr. E.N.H. Jansen Steur via hem een klacht wilde indienen. Bij de beoordeling is de tussenliggende correspondentie met Vermeulen betrokken alsmede de latere e-mailcorrespondentie van 9, 17, 21 en 29 augustus 2023 met als bijlage een verklaring van Jansen Steur van 25 augustus 2023.

De klacht is besproken op de zitting van de Raad van 22 september 2023 op basis van de schriftelijke stukken van klagers.

DE FEITEN

Op 18 januari 2023 verscheen op de website van het AD een video met de titel “Zaak Jansen Steur: de grootste medische strafzaak ooit”. Het onderschrift luidt:
“Tientallen mensen werden onjuist ongeneeslijk ziek verklaard door (inmiddels ex-) neuroloog Ernst Jansen Steur. De neuroloog bleek verslaafd. Hij werd op staande voet ontslagen en justitie vervolgde hem uiteindelijk voor 9 foute diagnoses. De affaire werd de grootste medische strafzaak ooit. Journalist Lucien Baard deed verslag en won zelfs de prestigieuze Tegel voor zijn werk. Nu vertelt hij over zijn rol in de zaak aan Arda Kaya.”

Op 17 februari 2023 heeft Vermeulen zich als volgt tot het AD gewend:
“Een aantal weken geleden heb ik gevraagd of u geïnteresseerd bent in een commentaar van mij op de uitspraak van Lucien Baard in een gesprek met Arda Kaya waarin gesteld werd dat de neuroloog Jansen Steur 200 mensen onjuist terminaal heeft verklaard. Deze uitspraak is beslist onjuist.
Ik begrijp dat u niet op alle reacties kunt ingaan, maar mijn vraag is heel duidelijk. Als u niet geïnteresseerd bent, kunt u mij dat toch even laten weten? Is dat niet een prettiger manier van met elkaar omgaan?”

Vervolgens heeft Vermeulen op 26 februari 2023 de volgende e-mail naar het AD gestuurd:
“Lucien Baard heeft mij geschrokken gebeld. Hij heeft de uitspraak ‘200 mensen zijn onjuist terminaal verklaard’, door Jansen Steur niet gedaan. Hij zou u daarover informeren.
Mijn vraag is wat nu? Hoe gaat het AD deze misser corrigeren? Een klein berichtje ergens in een hoekje van de krant, vind ik onacceptabel. De correctie moet tenminste in omvang en zichtbaarheid vergelijkbaar zijn met het bericht waarover ik viel. Ik wil daar graag aan bijdragen.”

Uit de daaropvolgende correspondentie blijkt dat de klacht niet naar tevredenheid van Vermeulen is opgelost, waarna hij zich op 4 april 2023 tot de Raad heeft gewend. Aangezien uit het klachtformulier niet duidelijk bleek of Vermeulen persoonlijk de klacht indiende of als vertegenwoordiger optrad, heeft de secretaris van de Raad hem om opheldering gevraagd. Daarop heeft Vermeulen op 6 april 2023 gereageerd als volgt:
“Wie is de klager en wie de vertegenwoordiger.
Ik ben destijds opgekomen voor Jansen Steur omdat hij mijns inziens in de pers onterecht beschuldigd werd van het opzettelijk stellen van foute diagnoses en ten onrechte verantwoordelijk werd gehouden voor de dood van één van de patiënten. Via de advocaat van Jansen Steur kreeg ik inzage in het volledige dossier.
Ik heb bij herhaling in de pers op de foute informatie die in de media verscheen gewezen. Het AD geeft nu weer onjuiste informatie over Jansen Steur. Daar maak ik bezwaar tegen.
Ik zou met u willen bespreken hoe ik tegen deze onjuiste informatie bezwaar kan maken. Ik heb de informatie van het AD proberen te wijzigen, maar kreeg geen gehoor, waarbij zij geen geldige argumenten naar voren brengen.”
Hierop heeft de secretaris op 13 april 2023 aan Vermeulen bericht dat hij naar haar eerste indruk niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt en dat het aan de heer Jansen Steur is om desgewenst tegen het artikel bezwaar te (laten) maken. Vermeulen heeft diezelfde dag als volgt gereageerd:
“Dank u voor uw informatie. Ik ga overleggen met Jansen Steur.
Als het tot een bespreking van de klacht komt, mag Jansen zich dan door iemand laten vertegenwoordigen?”
De secretaris heeft op 14 april 2023 als volgt geantwoord:
“Ja, de heer Jansen Steur mag zich zeker laten vertegenwoordigen.
Voor de goede orde: als hij zelf bezwaar wenst te maken tegen het artikel, zal hij zijn bezwaren eerst ook nog zelf aan de hoofdredactie van AD moeten voorleggen.”

Vervolgens heeft Vermeulen zich op 8 augustus 2023 opnieuw per e-mail tot de Raad gewend, waarbij hij onder meer het volgende heeft geschreven:
“Zie voorgaande mail. Ik heb telefonisch contact met u gehad over deze klacht. U vertelde mij de klacht niet in behandeling te kunnen nemen omdat ik de klager vertegenwoordigde. De klacht moest door de klager worden ingediend. De klager had mij gevraagd de klacht in te dienen, omdat hij bang was voor het bekend worden van zijn adres bij AD en Tubantia, waarna hij vreesde opnieuw door journalisten van AD of Tubantia te worden lastiggevallen. Die vrees is niet ongegrond, omdat Lucien Baard van Tubantia mij zei, na mijn bezwaar tegen het artikel online, graag klager te willen spreken en of ik daarbij kon bemiddelen.
Ik zou wel tijdens de bespreking van de klacht de klager mogen vertegenwoordigen. Heb ik goed begrepen dat klager niet zelf bij de bespreking van de klacht aanwezig hoeft te zijn?
Klager wil de klacht zelf indienen, mits zijn adres niet bekend wordt bij AD en andere bladen en hij niet zelf bij de bespreking aanwezig hoeft te zijn. Kan u dat toezeggen? Is het mogelijk dat de klacht via mijn adres door de klager wordt ingediend? En, nogmaals, is het juist dat de klager niet aanwezig hoeft te zijn bij de bespreking?”
In reactie daarop heeft de secretaris in een e-mail van 9 augustus 2023 de al eerder verstrekte informatie herhaald en gevraagd of de bezwaren van Jansen Steur inmiddels aan het AD zijn voorgelegd. Vermeulen heeft in zijn reactie van 17 augustus 2023 onder meer het volgende geschreven:
“Een kennis van de heer Jansen maakte hem attent op de publicatie van het AD. Jansen stuurde de publicatie naar mij. Hij wilde niet zelf reageren omdat hij anoniem wil blijven en vroeg mij te reageren op de publicatie. Hij heeft niet zelf contact opgenomen met het AD omdat hij niet wil dat zijn verblijfplaats of andere gegevens bekend worden bij het AD en vooral niet bij Tubantia.”
Hierop heeft de secretaris als volgt gereageerd:
“Naar aanleiding van uw klacht heb ik u gevraagd wie precies de klager was en of u de correspondentie met het AD kon toesturen. Daarop hebt u mij laten weten dat u níet namens de heer Jansen Steur klaagde. Vervolgens heb ik u 14 april jl. laten weten dat u zélf waarschijnlijk niet als rechtstreeks belanghebbende kon worden aangemerkt en dat als de heer Jansen Steur zélf wilde klagen, hij zijn bezwaren nog aan het AD kenbaar moest maken.
Gelet op het voorgaande kan uw klacht van 4 april jl. niet alsnog worden opgevat als wél ingediend namens de heer Jansen Steur. Daarbij komt dat ik u duidelijk heb geïnformeerd over de klachttermijnen. U dan wel de heer Jansen Steur had op 14 april jl. nog alle tijd om binnen de termijn een nieuwe klacht (van/namens de heer Jansen Steur) bij ons in te dienen.
Verder heeft het AD uw correspondentie niet moeten/kunnen opvatten als een klacht van/namens de heer Jansen Steur. Voor het betrokken medium moet helder zijn wie de klager is; dat kan bij de afhandeling van de klacht verschil maken. Bovendien heb ik u op 14 april jl. heel duidelijk geschreven dat de bezwaren van de heer Jansen Steur nog aan het AD moesten worden voorgelegd. Als ik het goed begrijp, is dat niet gebeurd. Ook om die reden kan de klacht niet in behandeling worden genomen. Uw uitleg maakt dat niet anders. Anoniem klagen is niet mogelijk en de heer Jansen Steur had zich ook zonder zijn verblijfplaats kenbaar te maken tot het AD kunnen wenden dan wel zich kunnen laten vertegenwoordigen.”
Vermeulen heeft daarop op 21 augustus 2023 het volgende laten weten:
“U stelt dat ik de klacht niet heb ingediend namens de heer Jansen. Formeel is dat juist. Jansen wilde niet zelf klagen omdat hij zijn adressen niet prijs wilde geven. Hij wil met name zijn adressen weghouden van de geïnterviewde journalist van Tubantia. Zijn vrees voor Tubantia blijkt terecht. De klacht die ik bij AD indiende werd beantwoord door de journalist van Tubantia. Zou Jansen zelf de klacht hebben ingediend, dan zou hij contact met deze journalist hebben gekregen. Bovendien zei de journalist mij graag met Jansen in contact te willen komen.
Later bleek ik de klacht over de tekst die online staat zelf, namens Jansen te kunnen indienen zonder dat ook maar ergens een adres van Jansen zou worden vermeld. Jansen bleef aarzelen. Het gaat om de Raad voor de Journalistiek. Met journalisten dus, en die vertrouwt hij niet meer. Dit wantrouwen vind ik te ver gaan, heb ik hem uitgelegd. Uiteindelijk besloot hij zich dan toch door mij te laten vertegenwoordigen.
Van begin af aan moet toch duidelijk zijn geweest dat ik Jansen vertegenwoordigde. Het artikel online gaat in het geheel niet over mij, wel over Jansen. De klacht heb ik van het begin af aan namens Jansen ingediend. In de gesprekken en de correspondentie met het AD was dit ook duidelijk.”
Tot slot heeft Vermeulen op 29 augustus 2023 nog het volgende toegestuurd:
“Voorafgaande aan ons telefonisch overleg op 12 september aanstaande stuur ik u hierbij een verklaring van de heer Jansen.
De klacht heb ik tijdig ingediend namens Jansen. Jansen wilde de klacht niet zelf indienen om zijn woon- en verblijfplaats niet bekend te maken. Dit heb ik u laten weten. Op het formulier heb ik aangegeven Jansen eerder te hebben vertegenwoordigd en wel tijdens het hoger beroep van de advocaat Plasman. Ik deed de gesprekken met Plasman omdat Jansen met een andere advocaat in conflict kwam. Ik gaf dit op het formulier aan om te laten zien van Jansen alle gegevens te hebben gekregen om hem te kunnen vertegenwoordigen. Er zou geen enkel probleem zijn gerezen bij deze klacht als ik toen vermeld zou hebben dat ik namens Jansen de klacht indiende. Ik dacht dat dit duidelijk was. In het gesprek met het AD en de mailwisseling heb ik op geen enkel moment de indruk gekregen niet namens Jansen te klagen.”

HET STANDPUNT VAN KLAGERS

Klagers stellen – kort samengevat – het volgende. In het onderschrift bij de video staat ten onrechte dat tientallen mensen ongeneeslijk ziek zijn verklaard. Het gaat zeker niet in alle gevallen om patiënten die ongeneeslijk ziek zijn verklaard. Het voorstel van Vermeulen om deze terminologie te veranderen in foute diagnoses is in het licht hiervan ten onrechte niet overgenomen.
Ten aanzien van het tijdstip van de indiening van de klacht vinden klagers dat van meet af aan duidelijk was dat Vermeulen de klacht namens Jansen Steur heeft ingediend, zodat de klacht inhoudelijk kan worden behandeld. Jansen Steur was door zijn ervaringen met journalisten achterdochtig geworden. Hij wilde zijn klacht pas indienen toen duidelijk werd dat hij vertegenwoordigd kon worden door Vermeulen zonder zijn adres te hoeven doorgeven. Volgens klagers was ook voor het AD duidelijk dat Vermeulen in zijn correspondentie Jansen Steur vertegenwoordigde. Overigens waren klagers niet bekend met de termijnenregeling van de Raad. Voor zover sprake is van een overschrijding van de klachttermijn is die dan ook verschoonbaar, aldus klagers.

BEOORDELING VAN HET RECHTSTREEKS BELANG voor zover de klacht is ingediend door Vermeulen

Volgens artikel 2 lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klacht worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Een klager kan als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte gedraging direct betrokken is en hij daardoor persoonlijk in zijn belang is geraakt.

De Raad stelt vast dat Vermeulen niet in de berichtgeving is genoemd en dat de berichtgeving ook geen directe betrekking heeft op hem. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat het belang van Vermeulen direct betrokken is bij de gewraakte berichtgeving en dat hij door de berichtgeving persoonlijk in zijn belang is geraakt. Vermeulen heeft toegelicht dat hij media vaker heeft gewezen op onjuiste berichtgeving over Jansen Steur. Dat Vermeulen als medisch adviseur betrokken is geweest bij de zaak van Jansen Steur en het kennelijk van belang vindt om op te komen voor diens belangen, is echter onvoldoende om hem aan te merken als ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de hiervoor bedoelde zin.

BEOORDELING VAN DE WIJZE VAN DE INDIENING VAN DE KLACHT voor zover de klacht is ingediend door Jansen Steur

Volgens artikel 2a van het Reglement moet een klager zijn bezwaren over een publicatie eerst voorleggen aan het betrokken medium, voordat hij zijn klacht bij de Raad kan indienen. Dit dient te gebeuren binnen drie maanden na het plaatsvinden van de journalistieke gedraging waartegen klager bezwaar heeft. Daarna heeft het medium maximaal één maand de gelegenheid om de klacht af te handelen.
Vervolgens kan de klager zijn klacht indienen bij de Raad en wel uiterlijk binnen zes maanden na de gewraakte publicatie. Indien een klacht niet tijdig is ingediend wordt deze niet inhoudelijk behandeld maar wordt volstaan met de constatering van de niet tijdige indiening van de klacht. Deze constatering blijft achterwege indien redelijkerwijs moet worden geconcludeerd dat de niet tijdige indiening van de klacht niet voor rekening van de klager behoort te komen.

De publicatie dateert van 18 januari 2023, zodat de klacht vóór 18 juli 2023 bij de Raad ingediend had moeten worden. In zijn verklaring van 25 augustus 2023 stelt Jansen Steur dat Vermeulen op 4 april 2023 de klacht (mede) namens hem heeft ingediend.

Uit de door Vermeulen op 4 april 2023 ingediende klacht blijkt niet dat hij (ook) namens Jansen Steur optrad. Ook in zijn e-mail van 6 april 2023 heeft Vermeulen desgevraagd niet duidelijk gemaakt dat hij Jansen Steur vertegenwoordigde. Uit de e-mails van Vermeulen van 13 april 2023 en 8 augustus 2023 blijkt bovendien dat Jansen Steur nog niet definitief had besloten om een klacht bij de Raad in te dienen.
Vervolgens heeft Vermeulen in zijn e-mail van 21 augustus 2023 bevestigd dat hij de klacht aanvankelijk niet namens Jansen Steur heeft ingediend en dat Jansen Steur pas later heeft besloten tot het indienen van een klacht.
Overigens blijkt uit de correspondentie tussen Vermeulen en het AD niet dat Vermeulen daarin (mede) namens Jansen Steur heeft geklaagd en (tevens) diens bezwaren aan het AD heeft voorgelegd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bezwaren van Jansen Steur niet eerst aan het AD zijn voorgelegd en dat de klacht van Jansen Steur bovendien niet tijdig bij de Raad is ingediend. Niet is gebleken dat dit Jansen Steur in redelijkheid niet kan worden verweten.

De secretaris heeft Vermeulen reeds in april 2023 geïnformeerd over de termijnenregeling en de mogelijkheid tot vertegenwoordiging. Daarbij is Vermeulen er ook op gewezen dat Jansen Steur – als hij zelf wilde klagen – zijn bezwaren eerst nog aan het AD moest (laten) voorleggen. Voor de wijze waarop een klacht wordt afgehandeld is het voor het medium relevant of de klacht al dan niet afkomstig is van een rechtstreeks betrokkene.
Niet valt in te zien waarom, ondanks de hiervoor bedoelde informatie van de secretaris, de bezwaren van Jansen Steur niet alsnog aan het AD zijn voorgelegd en zijn klacht niet vóór 18 juli 2023 bij de Raad is ingediend. Van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen is niet gebleken.

Gelet op het voorgaande wordt de klacht niet inhoudelijk behandeld.

Relevante eerdere conclusies: RvdJ 2023/26, RvdJ 2022/32 en RvdJ 2022/11
Relevante artikelen uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2 en 2a

CONCLUSIE

De Raad behandelt de klacht niet inhoudelijk.

Zo vastgesteld door de Raad op 8 november 2023 door mr. W.A.M. van Schendel, voorzitter, dr. H.P. Groenhart, J. Hoogenberg, M.J.P.H. Josten en M. Thie, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, plaatsvervangend secretaris.