Samenvatting
A. Kouwenhoven, R. van der Poel, E. Rosenberg en NRC (hierna gezamenlijk: NRC) hebben in het artikel “Moskeeën zijn vertrouwen in gemeenten kwijt: ‘Hoe konden we zo naïef zijn?’” aandacht besteed aan bevindingen van (oud)moskeebestuurders over de (vermeend onrechtmatige) manier waarop gemeenten en bureau X (klaagster) onderzoek hebben gedaan in hun moskeeën. Voor NRC bestond voldoende aanleiding om over de kwestie te berichten zoals is gedaan. Daarbij is afdoende onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Verder is deugdelijk wederhoor toegepast. Van eenzijdige of tendentieuze berichtgeving is geen sprake. Ten slotte bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat NRC de in het geding zijnde (privacy)belangen onvoldoende of op onjuiste wijze tegen elkaar heeft afgewogen. De klacht is dan ook ongegrond.
Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
X
tegen
A. Kouwenhoven, R. van der Poel, E. Rosenberg en de hoofdredacteur van NRC
De heer mr. R. Klöters, advocaat te Amsterdam, heeft op 3 oktober 2022 namens de besloten vennootschap X (klaagster) een klacht ingediend tegen de heer A. Kouwenhoven, mevrouw R. van der Poel, mevrouw E. Rosenberg en de hoofdredacteur van NRC (hierna gezamenlijk: NRC). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van partijen van 11, 12 en 24 oktober 2022.
De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 11 november 2022. Namens klaagster is mr. Klöters verschenen, vergezeld door de heren Y en R. Slotboom. Namens NRC waren Kouwenhoven, Van der Poel en Rosenberg aanwezig, vergezeld door de heer M. Garschagen, adjunct-hoofdredacteur. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van notities.
DE FEITEN
In de periode van 15 oktober 2021 tot en met 21 februari 2022 heeft NRC in diverse artikelen bericht over de handelwijze van gemeenten bij onderzoeken naar moskeeën en in dat verband aandacht besteed aan de rol van klaagster. Op 15 maart 2022 heeft klaagster hierover een klacht ingediend bij de Raad.
Vervolgens is op 4 april 2022 op de website van NRC een artikel van de hand van Kouwenhoven, Van der Poel en Rosenberg verschenen met de kop “Moskeeën zijn vertrouwen in gemeenten kwijt: ‘Hoe konden we zo naïef zijn?’”. De aanvullende klacht over dit artikel kon niet in de reeds lopende procedure worden betrokken (vgl. RvdJ 2014/26).
De intro van dit artikel luidt:
“Onderzoek naar moskeeën Gemeenten stuurden een veiligheidsexpert, een theoloog en een ambtenaar naar moskeeën. Maar: wat deden zij er nog meer, vragen moskeebestuurders zich nu af.”
Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
“In de deuren van de Abou Bakr-moskee in Almere zit glas. Een zwakke plek, dat ziet de adviseur die een veiligheidsscan uitvoert onmiddellijk. Stel dat een extreem-rechtse terrorist met een auto naar binnen wil rijden? De adviseur zegt dat het moskeebestuur voor de zekerheid een grote plantenpot voor de deur kan zetten. Het is 2020 en het moskeebestuur is bang. In Nieuw-Zeeland zijn meer dan vijftig moskeegangers omgekomen bij een aanslag, de bestuurders in Almere ontvangen dreigtelefoontjes. Daarom hebben Almeerse moskeeën de gemeente om extra beveiliging gevraagd.
De beveiligingsadviseur die de gemeente langs stuurt, is een dertiger met baardje, van het bedrijf AndersVeilig. Hij controleert de camera’s, alarmsystemen, vluchtroutes. Hij is niet alleen geïnteresseerd in de veiligheid van het gebouw. Hij vraagt ook naar het moskee-onderwijs, vertelt voorzitter Hassan el Fadili. Hoe vaak zijn er lessen? Zou hij de lesboeken eens mogen inzien? „Ik gaf hem een Arabisch boek, hij bladerde er aandachtig doorheen”, zegt El Fadili. „En nu denk ik: hoe naïef konden we zijn?”
In een kamer op een industrieterrein aan de rand van Almere zit hij met bestuurders van de vier andere moskeeën in de stad. Ze kwamen er door een artikel van NRC achter dat er in het geheim onderzoekers in hun moskeeën zijn geweest. De onderzoeken werden uitgevoerd door een privaat onderzoeksbureau, [X] ([afkorting]). Hun onderzoekers schreven rapporten vol privacygevoelige informatie over wat er speelde binnen de islamitische gemeenschappen. Dat deden ze met behulp van een controversiële methode: ze gingen langs bij moskeeën zonder zich kenbaar te maken.”
Bij de woorden “artikel van NRC” is een hyperlink geplaatst naar een artikel van 15 oktober 2021 met de kop “Undercover naar de moskee: geheim onderzoek naar islamitische organisaties”. Naar aanleiding van de eerdere klacht van klaagster heeft de Raad op 8 juli 2022 geoordeeld dat NRC journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. (RvdJ 2022/16)
Het artikel vervolgt:
“In de moskeeën – NRC bezocht gebedshuizen in vier gemeenten – heerst een half jaar na de publicatie nog altijd onrust en de banden met de overheid zijn ernstig aangetast. De bestuurders weten inmiddels meer over hoe de onderzoeken zijn uitgevoerd. Onafhankelijk van elkaar vertellen ze hoe het onderzoeksbureau volgens hen te werk ging: medewerkers kwamen de moskee binnen als beveiligingsexpert, theoloog, ambtenaar of adviseur van de gemeente.
Een van hen is de dertiger die zich bij de Almeerse moskeeën bekendmaakte als medewerker van AndersVeilig – het blijkt een bedrijf van [X] te zijn. Volgens zijn cv heeft de man geen aantoonbare kennis van het beveiligen van gebouwen. Hij is islamoloog, gespecialiseerd in terrorisme. Hij beheerst Egyptisch-Arabisch en klassiek Arabisch. Hij is ook hoofdonderzoeker bij [X] en verricht er ‘veldonderzoek’ voor de ‘krachtenveldanalyses’, zoals het bedrijf de geheime moskee-onderzoeken noemt.
Waarom stelde hij zich dan alleen voor als beveiligingsadviseur?
Aan de telefoon zegt de man over zijn rol als beveiliger én veldonderzoeker: „Het waren gescheiden dingen.” Heeft hij in de Almeerse moskeeën interesse getoond in het lesmateriaal? „Niet vanuit die rol.” Wel vanuit een andere rol? „Daar kan ik niet te veel over zeggen. Dat gaat dan over [X].”
Meerdere medewerkers
In de Almeerse moskeeën kwamen meer medewerkers van [X] over de vloer. De gemeentelijke veiligheidsambtenaar die geregeld bij de moskeeën langs gaat, is een onderzoeker van [X]. Datzelfde geldt voor een theoloog die door de burgemeester aan de Almeerse moskeeën wordt voorgesteld.
De theoloog wil de moskeebestuurders trainen in „politieke en bestuurlijke sensitiviteit” – de kosten neemt de gemeente op zich. Na de training in 2020 merkt moskeevoorzitter Fariz Akkouh dat de gemeente er achteraan blijft zitten. „Ambtenaren bleven vragen of wij deze theoloog niet vaker wilden inschakelen. Ik dacht toen al: waarom oefent de gemeente hier zoveel druk op uit?”
Achteraf denken de moskeeën de verklaring te hebben gevonden. Akkouh: „Ze probeerden hun informant binnen te krijgen.” In die tijd treft de gemeente in het geheim voorbereidingen voor het onderzoek dat [X] moet gaan uitvoeren. Het wordt na de publicatie stopgezet.
Ook in de Delftse Al Ansaar-moskee kennen ze de theoloog. Hij ondersteunt langere tijd het moskeebestuur. „Hij was een prominent lid van onze gemeenschap”, zegt moskeevoorzitter Abdelmonim Maanaoui. „Tot we erachter kwamen dat hij hier was voor onderzoek.”
Het is dan 2020. De gemeente heeft net een onderzoek besteld bij [X], bestemd voor de openbaarheid. De theoloog vraagt mannen in de moskee mee te werken aan dat onderzoek. Hij laat hen namens [X] een geheimhoudingscontract tekenen en interviewt hen.
In de conceptversie van het [X]-rapport uit 2021 leest het moskeebestuur namen van conservatieve predikers die de moskee heeft geweerd. Maar bijna niemand wist daarvan. „Alleen de theoloog kon dat weten”, zegt voorzitter Maanaoui. „Hij vormde met een bestuurder de commissie die ging over gastsprekers. Hij had die sprekers zélf geweerd.”
Als het bestuur zijn beklag doet bij de gemeente, verdwijnen de namen van de geweerde sprekers uit het eindrapport. De theoloog wordt vanaf dan gewantrouwd. Hij wordt niet meer in de moskee gezien. Maanaoui, cynisch: „Zijn taak zat erop.”
Na de berichtgeving in NRC vorig jaar wordt duidelijk dat [X] de Delftse moslimgemeenschap al eerder had onderzocht. Dit heimelijke onderzoek loopt tot februari 2018 – juist wanneer de theoloog veel in de moskee is te vinden.
Voor de moskeegangers is het duidelijk: de theoloog was betrokken bij het onderzoek. De theoloog zelf stelt, net als [X], dat hij er niks mee te maken had. Pas vlak ná het onderzoek zou hij voor [X] zijn gaan werken.
Slecht Nederlands
Ook bij moskee An-Nasr in Huizen loopt het onderzoeksbureau vanuit een andere rol rond. Abdelhamid Essayah vertelt gedetailleerd hoe het ging. „We werden bij de burgemeester geroepen”, zegt de oud-secretaris. „Die vertelde dat hij ontevreden was over de communicatie tussen de gemeente en de moskee. Het bestuur sprak volgens hem te slecht Nederlands.” De burgemeester biedt meteen een oplossing aan: hij kent een adviseur met een Marokkaanse achtergrond die het bestuur zou gaan helpen. „Hij zou een tussenpersoon richting de gemeente worden, vooral omdat hij alle talen beheerste: Berber, Arabisch én Nederlands.”
Vanaf die tijd is de adviseur geregeld in de moskee te vinden. „Vooral tijdens de vastenmaand was hij hier”, zegt Essayah. „Vaak stond hij voor de ingang van de moskee te praten met jongens van rond de dertien jaar.” Hij hoort de man aan hen vragen wat ze vinden van Syriëgangers. „Ik dacht: hij is gewoon bezorgd, hij is ook een Marokkaan”, zegt Essayah. „Maar ik heb weleens een vader gewaarschuwd: pas op met wat jouw zoon allemaal tegen die man vertelt. Ik wilde niet dat kinderen dingen gaan roepen waar ze niets van af weten.”
De adviseur blijft in de moskee komen totdat het heimelijke onderzoek in 2018 is afgerond, volgens Essayah. Daarna is hij niet meer gezien.
De gemeente Huizen bevestigt dat een [X]-medewerker jaren in de moskee rondliep. Volgens een woordvoerder was hij daar als ‘netwerkregisseur’, niet als onderzoeker. Tijdens de onderzoeksperiode zou de man zelfs niet in de moskee zijn geweest.
Het huidige moskeebestuur bevestigt echter de lezing van Essayah, dat de adviseur er ook tijdens het onderzoek rondliep, zonder dat het bestuur van het onderzoek wist. Het moskeebestuur betreurt dat de gemeente hierover een onjuist beeld schetst.
Vrees voor spionnen
De Tawheed-moskee in Leidschendam stroomt op een koude middag vol met jonge mannen voor het vrijdaggebed. In de bestuurskamer vertelt voorzitter Mohamed Ahouch over de ambtenaar die zes jaar lang namens de gemeente over de vloer kwam. Hij was er „kind aan huis”, ze spraken over elkaars kinderen. De ambtenaar zei dat hij bekeerd was. „Al bad hij vreemd genoeg nooit mee.”
De ambtenaar vroeg ook of hij eens in de boeken mocht kijken. Gewoon, uit belangstelling. Ahouch had er geen bezwaar tegen.
Ahouch had er geen moment meer aan gedacht tot hij begin dit jaar door het [X]-onderzoek bladerde. Na de berichtgeving over de onderzoeken bood de gemeente de moskee gedeeltelijk inzage in het rapport. Het grootste deel was zwartgelakt. In een voetnoot las Ahouch dat voor het onderzoek „observaties in de moskee” hadden plaatsgevonden. Ook een passage over het lesboek dat de moskee gebruikt – het boek dat Ahouch aan de ambtenaar had laten zien – was zichtbaar. Gebruikte [X] de ambtenaar als informant?
Verder bevat het artikel nog de volgende passages:
“De gemeente [Leidschendam, RvdJ] bevestigt dat de ambtenaar heeft gevraagd naar lesmateriaal, terwijl het geheime onderzoek liep. Toch staat deze „informatie uitvraag” los van het [X]-rapport, aldus de gemeente.”
en:
“[X] laat via een advocaat weten dat de medewerkers die gemeenten bij hen inhuurden als adviseur of expert, niet bijdroegen aan de geheime onderzoeksrapporten. De gemeenten Almere en Huizen antwoorden dit ook. Delft schrijft: „Wij blijven erbij dat [X]-medewerkers niet in de Al Ansaar moskee zijn geweest voor de non-informed krachtenveldanalyse uit 2017/2018.” Voor overige vragen verwijst de gemeente naar [X].
„Natuurlijk gaat er bij ons wel eens iets mis, net als in ieder ander bedrijf”, mailt de [X]-advocaat. „Maar bovenal gaat het om integere mensen die niet in het geheim, undercover, zonder zich kenbaar te maken, of welke termen u daar ook voor gebruikt, actief zijn.””
Hierna is de volgende aanvulling geplaatst:
“Correctie (13 oktober 2022): In een eerdere versie van dit artikel werd vermeld dat de ramen van de theoloog zijn ingegooid. In een reactie stelt [X] dat dit niet bij de theoloog maar bij een andere medewerker gebeurde.”
Ten slotte is in een apart kader onderaan het artikel het volgende vermeld:
“Onderzoeksbureau [X] en medewerkers hebben vragen schriftelijk beantwoord via een gezamenlijke advocaat.
De beveiliger die in Almeerse moskeeën rondliep, ontkent volgens [X] dat hij „meer informatie heeft verzameld dan strikt noodzakelijk voor de veiligheidsscans”. Informatie uit deze scans is nooit gebruikt voor de ‘krachtenveldanalyses’, zoals [X] de moskee-onderzoeken noemt. De man zou nooit onderzoek hebben gedaan naar moskeeën waar hij ook als beveiliger over de vloer kwam.
De theoloog zou niet betrokken zijn bij het onderzoek uit 2018 in Delft – pas enkele maanden later is hij voor [X] gaan werken, aldus het bureau. Dat hij later interviews afnam voor een [X]-onderzoek in dezelfde moskee, komt volgens het bureau omdat hij „een collega die ziek was” moest vervangen.
De adviseur die in de moskee van Huizen actief was, is daar ingezet als „netwerkregisseur” van de gemeente, stelt [X]. Het zou „binnen de opdracht” hebben gepast dat hij in de moskee over „gevoelige onderwerpen” sprak die door leden zélf werden opgebracht. De adviseur zou niet betrokken zijn geweest bij het onderzoek naar de moskee en heeft hier ook „geen enkele informatie” voor aangeleverd.”
Het artikel is op 5 april 2022 ook in de papieren versie van NRC verschenen.
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Klaagster stelt – kort samengevat – het volgende. Er is sprake van eenzijdige en tendentieuze berichtgeving, waarbij onvoldoende wederhoor is toegepast en het belang van de publicatie onvoldoende is afgewogen tegen de (privacy)belangen van de medewerkers van klaagster.
Al in de kop en intro wordt ten onrechte de indruk gewekt dat sprake is geweest van grootschalig bedrog. Vervolgens laten diverse betrokkenen zich unaniem op negatieve en schadelijke wijze uit over klaagster, haar onderzoekers en haar onderzoeksmethoden. Zo zou een beveiligingsadviseur eigenlijk geen deskundige zijn, maar in een moskee in Almere zijn geweest om undercover onderzoek te doen naar extremisme binnen de moskee. Klaagster heeft echter in Almere nooit daadwerkelijk onderzoek gedaan en NRC wist dat ook, omdat pas in 2021 een onderzoek (naar extremisme in algemene zin) zou worden opgestart. Dat onderzoek is uiteindelijk door eerdere publicaties van NRC niet doorgegaan. Overigens was de beveiligingsadviseur wel degelijk deskundig om naar de veiligheid van gebouwen te kijken en heeft hij niet erkend dat hij lesboeken heeft ingezien. Naast deze persoon zouden ook een bij klaagster werkzame theoloog, ambtenaar en adviseur/netwerkregisseur in opdracht van gemeenten heimelijk undercoveronderzoek hebben gedaan in moskeeën. Ook dat is niet juist; er is nooit sprake geweest van heimelijk undercoveronderzoek. Bovendien was de theoloog in 2017/2018 niet bekend bij klaagster en niet betrokken bij een onderzoek in Delft. Overigens zijn niet de ramen van de theoloog, maar van iemand anders ingegooid. En de citaten van de oud-moskeebestuurder over de adviseur in Huizen kloppen evenmin. Klaagster voert in dit verband nog aan dat de oud-moskeebestuurder in Huizen en de beveiligingsadviseur niet over de aard van de publicatie zijn geïnformeerd en daardoor niet in staat waren voldoende geïnformeerd te beslissen of zij aan de publicatie mee wilden werken. Hierdoor zijn hun citaten in een andere context gebruikt dan die zij mochten verwachten. Bovendien waren alle bronnen in conflict met klaagster of hadden zij een eigen belang om negatief over haar te verklaren in verband met de verantwoording die zij vanwege de eerdere publicaties tegenover hun achterban moesten afleggen.
Het voornaamste bezwaar van klaagster is dat zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld op de aantijgingen aan haar adres te reageren. NRC heeft slechts vragen gesteld, zonder daarbij de noodzakelijke context te geven. Doordat NRC vooraf niet heeft (willen) laten weten welke personen aan het woord zouden komen en welke uitlatingen zij precies zouden doen, was het voor klaagster niet mogelijk om adequaat wederhoor te verstrekken. Bovendien is haar reactie onvoldoende verwerkt. Zo is onvermeld dat de ambtenaar van de gemeente Leidschendam nooit een opdracht voor klaagster heeft uitgevoerd en dat de adviseur al weg was toen het onderzoek in Huizen begon. Daarbij komt dat het wederhoor grotendeels in een apart kader onderaan het artikel is opgenomen. Voor het publiek zullen de in het artikel zelf opgenomen aantijgingen van betrokkenen uit de moskeeën altijd meer indruk maken dan de summiere weerlegging door klaagster in het kader. Bovendien is haar reactie op voorhand gebagatelliseerd door de vermelding dat zij gebruik heeft gemaakt van een advocaat, waarmee de indruk is gewekt dat zij iets te verbergen heeft.
Ten slotte meent klaagster dat NRC het belang van de betrokken medewerkers onvoldoende heeft afgewogen tegen het belang bij publicatie, nu deze medewerkers goed herkenbaar zijn en door het artikel hinder ondervinden.
Klaagster heeft haar standpunten uitvoerig toegelicht en concludeert dat NRC heeft gehandeld in strijd met de beginselen van journalistieke zorgvuldigheid.
NRC stelt daar – eveneens kort samengevat – het volgende tegenover. De (oud-)moskeebestuurders hadden naar aanleiding van de eerdere onthullingen over klaagster en na inzage van de onderzoeksrapporten nieuwe inzichten verworven over hoe de onderzoeken van klaagster volgens hen hadden plaatsgevonden. Het patroon in die inzichten rechtvaardigde een nieuw artikel. Van feitelijke onjuistheden is geen sprake. Het artikel bevat voornamelijk citaten uit interviews over de bevindingen van de moskeebestuurders. In het artikel wordt niet de indruk gewekt dat die bevindingen juist zijn en dat de onderzoeken door de betreffende personen ook daadwerkelijk zo hebben plaatsgevonden. De citaten van de geïnterviewde beveiligingsexpert en de oud-moskeebestuurder in Huizen zijn correct weergegeven en zij zijn voorafgaand aan hun interviews voldoende voorgelicht. De citaten van de oud-bestuurder zijn ook nog aan hem voorgelegd en geaccordeerd en zijn bevindingen zijn nadien bovendien nog bevestigd door het huidige bestuur. Dat de beveiligingsadviseur wel degelijk deskundig zou zijn om naar de veiligheid van gebouwen te kijken, laat onverlet dat dit niet uit zijn cv blijkt. Dat in Almere pas in 2021 formeel werd besloten tot een onderzoek sluit niet uit dat daarvoor al voorbereidingen zijn getroffen voor de krachtenveldanalyse, zoals het creëren van ingangen voor de veldonderzoekers. Zo werd al in 2020 bij de Rijksoverheid om geld gevraagd om de analyse te laten uitvoeren. Het is daarom niet denkbeeldig dat in 2020 onderzoekers van klaagster langs zijn geweest zonder dat de moskeebestuurders zich daarvan bewust waren. Voor publicatie van die verdenking bestond dan ook voldoende grondslag. Wel heeft NRC naar aanleiding van de klacht aangepast dat de ramen van de theoloog zouden zijn ingegooid. Dat had eerder gekund, maar is door miscommunicatie niet gelukt. NRC heeft daarvoor excuses aangeboden.
Verder meent NRC dat sprake is van evenwichtige berichtgeving. Er bestaat geen plicht om bij het vragen van wederhoor de bronnen te noemen. Dat is ook een kwestie van bronbescherming, zodat die bronnen niet geïntimideerd of anderszins beïnvloed worden. Het wederhoor is niet bedoeld om door de degene aan wie om een reactie wordt gevraagd, de betrouwbaarheid van bronnen te verifiëren. Dat is de taak van journalisten zelf. Bovendien wist X voor publicatie dat de bestuurders van de genoemde moskeeën aan het woord zouden komen. Dat de namen van de specifieke bestuurders niet zijn overgelegd, doet er niet aan af dat zij zich uitspreken als vertegenwoordiger van hun moskee. Als de besturen van deze moskeeën allemaal ‘ongeloofwaardig’ zouden zijn, had klaagster daar voor publicatie op kunnen wijzen. Met gerichte vraagstelling heeft klaagster voldoende gelegenheid gekregen om wederhoor te geven en haar reactie is ook afdoende verwerkt. Daarbij komt dat in het artikel ook reacties van betrokken gemeenten zijn verwerkt. Daarin staat al dat klaagster geen gemeenteambtenaar als informant heeft gebruikt en dat de adviseur in Huizen in de onderzoeksperiode niet in de moskee zou zijn geweest.
Tot slot zijn de (privacy)belangen van klaagster en haar medewerkers niet verder aangetast dan nodig is. De namen van de medewerkers zijn bewust niet genoemd, aldus NRC.
NRC heeft eveneens zijn standpunten uitgebreid toegelicht en concludeert dat de berichtgeving journalistiek zorgvuldig, evenwichtig en proportioneel is.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Kern van de klacht is dat het artikel eenzijdig en tendentieus is, waarbij onvoldoende wederhoor is toegepast en het belang van de publicatie onvoldoende is afgewogen tegen de (privacy)belangen van de medewerkers van klaagster.
Het is journalistiek niet ongebruikelijk dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. Daarmee worden de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel. Daarvan is hier geen sprake. Zowel uit de intro als uit het artikel zelf blijkt dat het artikel voornamelijk nieuwe inzichten van (oud-)moskeebestuurders bevat over de manier waarop gemeenten en klaagster onderzoek hebben gedaan in hun moskeeën. De Raad vindt niet dat tendentieus de indruk is gewekt dat er grootschalig bedrog zou hebben plaatsgevonden.
NRC heeft aannemelijk gemaakt dat voldoende aanleiding bestond om over de kwestie te berichten zoals is gedaan. In het artikel is een duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. De bronnen zijn op een adequate wijze weergegeven en niet is komen vast te staan dat zij onjuist zijn geciteerd. Het is voorts aan de lezer om de informatie op waarde te schatten.
Niet is gebleken dat een zodanig vertekend beeld van de kwestie is gegeven dat sprake is van niet-waarheidsgetrouwe of tendentieuze berichtgeving.
Het standpunt dat het artikel te eenzijdig is omdat klaagster onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om wederhoor te geven en haar reactie niet adequaat is verwerkt, volgt de Raad evenmin.
In lijn met eerdere conclusies overweegt de Raad dat, indien aan een betrokkene om een reactie wordt gevraagd, die betrokkene niet steeds vooraf volledig behoeft te worden geïnformeerd over de inhoud van de publicatie. Volstaan kan worden met duidelijk mee te delen waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven, afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht. Niet is gebleken dat dit onvoldoende is gebeurd.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat NRC op 25 maart 2022 – dus ruim voor de publicatie – uitgebreide, gedetailleerde vragen aan klaagster heeft voorgelegd. Daarbij heeft NRC kenbaar gemaakt dat de redactie heeft gesproken met functionarissen van bepaalde moskeeën. Het gaat in deze kwestie niet om aantijgingen van persoonlijke aard. Voor het goed kunnen beantwoorden van de feitelijke vragen was het daarom niet noodzakelijk om te weten van welke specifieke personen bepaalde informatie afkomstig was. Dat klaagster mogelijk niet adequaat heeft gereageerd, komt in deze omstandigheden voor haar eigen rekening.
Zoals de Raad ook in de eerdere klachtprocedure tussen partijen heeft overwogen, is het in beginsel aan de journalist om te bepalen hoe het verkregen wederhoor wordt verwerkt. Niet is gebleken dat dit op een onjuiste en/of onvoldoende wijze is gebeurd. Het gebruik van een kader is niet ongebruikelijk en journalistiek toelaatbaar. De reactie van klaagster – die overigens ook deels in de hoofdtekst zelf is weergegeven – is daarmee niet ‘weggestopt’. Het is zelfs niet ondenkbaar dat de reactie daarmee juist meer de aandacht van de lezer heeft getrokken.
Daarbij komt dat uit de reacties van de betrokken gemeenten duidelijk blijkt dat volgens hen de gemeenteambtenaar niet door klaagster als informant is gebruikt en dat de adviseur tijdens de onderzoeksperiode niet in de moskee is geweest. Weliswaar had vermeld kunnen worden dat klaagster deze reacties onderschrijft, maar de essentie van de informatie is voor de lezer voldoende duidelijk.
Het belang dat met publicatie is gediend, is erin gelegen dat het maatschappelijk en journalistiek relevant is om het publiek te informeren over de mogelijke handelwijze van gemeenten bij onderzoeken naar moskeeën en in die context over de rol van klaagster. NRC heeft bewust geen namen van medewerkers van klaagster vermeld, maar alleen hun functies aangeduid. Er bestaat daarom geen aanleiding voor de conclusie dat NRC de in het geding zijnde (privacy)belangen onvoldoende of op onjuiste wijze tegen elkaar heeft afgewogen.
Ten slotte overweegt de Raad dat NRC heeft erkend aanvankelijk onjuist te hebben bericht over de ingegooide ramen en excuses heeft gemaakt voor de late rechtzetting.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klacht ongegrond is.
Relevante punten uit de Leidraad: A., B.1, B.2, B.3, C. en C.1
Relevante eerdere conclusies: RvdJ 2022/25, RvdJ 2022/16 en RvdJ 2021/49
CONCLUSIE
De klacht is ongegrond.
Zo vastgesteld door de Raad op 10 januari 2023 door mr. W.A.M. van Schendel, voorzitter, S.A. Agterberg, L.C. Hauben, S. Kuijper en mw. drs. E.M.H. Lemaier, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. G.A. van de Sluis, plaatsvervangend secretaris.