2022/9 Onzorgvuldig

X / P. Dolhain en de hoofdredacteur van De Limburger

Samenvatting

P. Dolhain en De Limburger hebben
in het artikel “Ruzie over vijftig meter lange schildering
van kinderen op muur” aandacht besteed aan een conflict over een
muurschildering waarbij klager was betrokken als externe door de Vereniging van
Eigenaren ingeschakelde beheerder. Door het vermelden van de naam van klager in
combinatie met het niet-vermelden van zijn functie, zijn de belangen van klager
onnodig geschaad. Verder heeft klager aannemelijk gemaakt dat het
artikel geen recht doet aan de feiten rondom de gang van zaken in de kwestie.
Ten slotte heeft De Limburger in eerste instantie niet gereageerd op de klacht.
Dolhain en De Limburger hebben derhalve journalistiek
onzorgvuldig gehandeld. De Raad voor de Journalistiek doet de aanbeveling aan
De Limburger om deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

P. Dolhain en de hoofdredacteur van De Limburger
                                                                           
De heer X (klager), beheerder van de Vereniging van Eigenaren van Markt 22-59 te Beek (VvE), heeft op 19 december 2021 een klacht ingediend tegen de heer P. Dolhain en de hoofdredacteur van De Limburger (hierna gezamenlijk: De Limburger). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van De Limburger betrokken van 2 februari 2022.

De klacht is behandeld op de digitale zitting van de Raad van 11 februari 2022 in aanwezigheid van klager, die zijn standpunten heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Namens De Limburger zijn Dolhain en mevrouw M. Parren, kernchef Zuid-Limburg, verschenen.

DE FEITEN

Op 13 november 2021 is in de papieren editie van De Limburger een artikel van de hand van Dolhain verschenen met de titel “Ruzie over vijftig meter lange schildering van kinderen op muur”. De intro van het artikel luidt:
“Een muurschildering, gemaakt door kinderen, in de Bruiloftsteeg in Beek moet worden verwijderd. Gebeurt dit niet, dan volgt aangifte wegens vandalisme. Hoe een goedbedoelde actie is uitgemond in ruzie.”
Het artikel luidt verder:
“Het draait allemaal om de vijftig meter lange muurschildering in de Bruiloftsteeg in het centrum van Beek. De organisatie van ‘De Broelof van burgemeister Janssen’ had voorafgaand aan het evenement een dertigtal kinderen gevraagd om de muur te voorzien van een kunstwerk. Het werk is overdag in originele kleuren te aanschouwen en wordt ’s nachts aangestraald met blacklight, waardoor er een nieuw kleurenspel ontstaat. ,,Allemaal leuk en aardig, maar de muur is eigendom van de Vereniging van Eigenaren Markt 22 tot en met 59 en ons is niet om toestemming gevraagd”, stelt [X] namens de leden. De Vereniging van Eigenaren (VvE) eist daarom van Jules Stijnen, organisator van ‘De Broelof van burgemeister Janssen’, dat de schildering voor 15 november wordt verwijderd en de muur in originele staat wordt hersteld. Gebeurt dat niet, dan volgt aangifte wegens vandalisme en wordt een advocaat ingeschakeld. ,,Wij hebben nooit toestemming gegeven. In een Algemene Vergadering hebben wij de muurschildering besproken en een overgrote meerderheid heeft aangegeven tegen te zijn”, zegt [X].
Stijnen laat weten dat die mededeling hem rauw op zijn dak valt. ,,Deze muur is al tientallen jaren een doorn in het oog vanwege graffiti. Wij hebben geprobeerd de boel op te fleuren, meer niet. Dat hebben wij de VvE ook in juli meegedeeld”, zegt Stijnen.
Als reactie gaf de VvE destijds aan de muurschildering te zullen bespreken op de Algemene Ledenvergadering. Aangezien deze pas na het evenement plaatsvond, heeft de organisatie daarom zelf een enquête gehouden onder de bewoners. ,,We hebben 29 enquêtes bezorgd en daarvan zijn er 16 retour gekomen. Alle 16 formulieren maakten geen bezwaar, dat beschouwen wij als een toestemming. Daarop hebben wij het beschilderen in gang gezet”, vertelt Stijnen. Maar die enquête doet volgens [X] niet ter zake: ,,Ik heb geen enquête gezien.” Volgens Stijnen zou dat goed kunnen: ,,Hij woont er namelijk niet.”
Stijnen is zich ervan bewust dat je niet andermans eigendom mag bekladden, maar hij gelooft [X] niet. ,,Wij hebben die enquête niet voor niks gedaan, zonder draagvlak hadden wij die muur nooit beschilderd. Het komt bij mij over alsof hij spreekt namens de hele VvE, maar de meerderheid heeft bij ons aangegeven het initiatief mooi te vinden. De muur weer in oude staat herstellen, betekent dat ik het schilderij moet vernietigen en de oude graffiti weer op de muur moet spuiten. Ik zal er alles aan doen om dat te voorkomen. Ik wil daarom gewoon met hem in gesprek om de zaak als volwassen mensen uit te spreken, maar daar is hij tot op heden nog niet op ingegaan.” Volgens [X] valt zeker te praten over een oplossing, maar blijft het een principekwestie. “Je mag niet zomaar andermans eigendom bekladden.””

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt – samengevat – het volgende. Hij maakt allereerst bezwaar tegen het vermelden van zijn naam. De Limburger heeft nooit toestemming gevraagd om zijn naam te publiceren. Als klager vooraf had geweten dat zijn naam zou worden vermeld, dan zou hij geen medewerking hebben verleend. Bovendien was de naamsvermelding niet nodig. De Limburger had kunnen volstaan met het noemen van zijn functie als externe beheerder van de VvE. Het is van wezenlijk belang dat hij in die hoedanigheid is opgetreden in deze kwestie en dat is ten onrechte onvermeld gelaten. Daarmee is gesuggereerd dat hij zich als buitenstaander met de zaak heeft bemoeid. Hij is door enkele mensen hierop aangesproken. Klager voelt zich nu persoonlijk beschadigd en vindt dat zijn privacy onnodig is geschonden.
Verder meent hij dat op onjuiste wijze over de kwestie is bericht. De Limburger heeft nooit aan hem gevraagd hoe de onenigheid is ontstaan. De enquête is onder bewoners verspreid, maar een aantal is geen eigenaar van het door hen bewoonde appartement en dus geen lid van de VvE. Volgens het artikel zijn er 29 enquêtes bezorgd, terwijl er 38 appartementen zijn. Als er 16 enquêtes zijn teruggestuurd, is dat dus minder dan de helft van het aantal appartementen/eigenaren. Op de zitting voegt klager hieraan toe dat hem inmiddels bekend is, dat van de 16 geretourneerde enquêtes er 10 afkomstig waren van eigenaren. Er is wel degelijk toestemming gevraagd om de muren te beschilderen, maar die toestemming is door de VvE niet verleend, omdat een ruime meerderheid van de eigenaren daarmee niet akkoord ging. Op de zitting licht klager nog toe dat in eerste instantie mondeling toestemming is verleend voor het krijten van die muur, maar die aanvraag is nooit op papier binnengekomen.
Ten slotte voert klager aan dat De Limburger niet op zijn bezwaren heeft gereageerd en dat hij daarom zijn klacht heeft ingediend bij de Raad.

De Limburger biedt allereerst haar excuses aan voor het niet-reageren op de klacht. Die is binnengekomen in vakantie- en coronatijd en helaas over het hoofd gezien. Daarbij komt dat een e-mail van klager bovendien niet als officiële klacht is beschouwd. Naar aanleiding van deze zaak zijn waarborgen ingebouwd, zodat dit niet opnieuw gebeurt.
Verder voert De Limburger aan dat zij door Stijnen is benaderd over de kwestie. Vervolgens is klager voor wederhoor gebeld, omdat zijn naam was vermeld op de brieven die namens de VvE aan Stijnen waren gestuurd. Nadat Dolhain zich expliciet als journalist van De Limburger had kenbaar gemaakt, volgde een prettig telefoongesprek. Hij sloot het gesprek af met de mededeling dat het niet zeker was of over de zaak zou worden gepubliceerd, maar dat als een artikel zou verschijnen hij de reactie van klager wilde gebruiken in het kader van wederhoor. Klager vond dat geen probleem. Op de zitting voegt Dolhain hieraan desgevraagd toe, dat hij soms geen naam vermeld, bijvoorbeeld als hij heeft gesproken met een medewerker van een gemeente. In dat geval volstaat de vermelding ‘medewerker van de gemeente’. In deze zaak heeft Dolhain klager expliciet gevraagd naar zijn naam en gezegd dat die zou worden vermeld. In het artikel is bovendien duidelijk vermeld dat klager sprak namens de VvE.
Verder is juist dat Dolhain niet naar de functie van klager heeft gevraagd, want die was hem al bekend. Het verwijt dat hij niet heeft geïnformeerd naar het ontstaan van de onenigheid, houdt geen stand; de aanleiding om met klager contact op te nemen was juist de ontstane onenigheid. Het standpunt van klager dat onjuist is bericht over het vragen en niet-verlenen van toestemming, is deels waar. In het artikel is namelijk gedoeld op de context waarin om toestemming is gevraagd, te weten het beschilderen van de muur in plaats van krijten, waarover eerder is gesproken.
Ten slotte benadrukt De Limburger dat het niet de bedoeling is geweest om klager te beschadigen. Het verhaal is in een kort stuk op correcte wijze verteld. Daarbij moeten keuzes worden gemaakt en zijn logischerwijs niet alle randzaken vermeld. Omdat het een delicate kwestie is, is er bewust geen vervolgartikel gepubliceerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij in de selectie van nieuws. Het is aan de journalist om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat de journalist in het algemeen een afweging moet maken tussen het belang dat met een publicatie is gediend en de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. Verder geldt dat in een publicatie de privacy van personen niet verder mag worden aangetast dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy is onzorgvuldig wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. Ook in dit opzicht dient dus een belangenafweging plaats te vinden.

In dit geval is relevant dat klager als externe door de Vereniging van Eigenaren ingeschakelde beheerder slechts een uitvoerende taak heeft – en geen beslissende verantwoordelijkheid draagt – en daardoor geen partij is in de kwestie. Dit maakt dat het vermelden van zijn naam niet nodig was. De Limburger had kunnen volstaan met het noemen van de functie van klager, zoals dat kennelijk soms gebeurt bij bijvoorbeeld medewerkers van gemeenten. Door het achterwege laten van de functie van klager en te vermelden dat hij ‘namens de VvE’ heeft gesproken, is de hiervoor bedoelde rol van klager bovendien voor de gemiddelde lezer onvoldoende duidelijk. Dit brengt mee dat door het vermelden van de naam van klager in combinatie met het niet-vermelden van zijn functie, de belangen van klager nodeloos zijn geschaad. Daarbij kan in het midden blijven of klager al dan niet toestemming heeft gegeven voor het vermelden van zijn naam, hetgeen de Raad niet kan vaststellen nu partijen elkaar op dit punt tegenspreken.

Daarnaast heeft klager aannemelijk gemaakt dat het artikel geen recht doet aan de feiten rondom de gang van zaken in de kwestie. Zo wordt de indruk gewekt dat een meerderheid van de bewoners positief heeft gereageerd op de enquête, terwijl in werkelijkheid 16 bewoners van in totaal 38 appartementen hebben gereageerd. Daarbij is bovendien niet vermeld dat een deel van die bewoners geen eigenaar is en dus ook geen toestemming kán verlenen voor het schilderen op de muur. Verder is op onjuiste wijze bericht over het vragen van toestemming en het niet-verlenen daarvan. Voor zover Dolhain in dat verband een onderscheid heeft willen maken tussen het krijten en beschilderen van de muur – wat kennelijk beide aan de orde is geweest – had hij dat in het artikel duidelijk moeten maken, hetgeen niet is gebeurd.

Ten slotte overweegt de Raad dat (hoofd)redacties als eerste lijn fungeren in de afhandeling van klachten en dat klagers verplicht zijn hun bezwaren eerst aan het betrokken medium voor te leggen. Achtergrond van deze bepaling is dat – in het kader van een goede zelfregulering door de media – partijen eerst samen overleg voeren om te bezien of zij tot een minnelijke oplossing van het probleem kunnen komen. Dit brengt mee dat (hoofd)redacties klachten op een zorgvuldige manier moeten afhandelen. De Limburger heeft echter voordat klager de klacht bij de Raad heeft ingediend, in het geheel niet op de klacht gereageerd. De Limburger heeft hiervoor terecht haar excuses aangeboden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Dolhain en De Limburger journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad: A. en C.1
Relevante eerdere conclusies: RvdJ 2019/35 en RvdJ 2019/29

CONCLUSIE

P. Dolhain en De Limburger hebben journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

De Raad doet de aanbeveling aan De Limburger om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 28 maart 2022 door mr. W.A.M. van Schendel, voorzitter, M.J.P.H. Josten, S. Kuijper, mw. drs. E.M.H. Lemaier en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. G. Kamminga, plaatsvervangend secretaris.