Samenvatting
Trouw heeft in de column “Waarom schonk de NPO aandacht aan die pedofielenpartij” aandacht besteed aan het televisieprogramma ‘Danny op straat’. Omdat klagers niet in de berichtgeving zijn genoemd en de berichtgeving ook niet direct betrekking heeft op hen, kunnen zij niet als rechtstreeks belanghebbenden worden beschouwd. De klacht is daarom niet inhoudelijk behandeld.
Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
N.L.M. de Jonge en M.H. Uittenbogaard
tegen
M. Bos, M. Roessingh en de hoofdredacteur van Trouw
De heren N.L.M. de Jonge en M.H. Uittenbogaard te Hengelo (hierna: klagers) hebben op 6 april 2020 een klacht ingediend tegen mevrouw M. Bos, redacteur, de heer M. Roessingh, adjunct-hoofdredacteur, en de hoofdredacteur van Trouw (hierna: Trouw). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klagers en de heer Roessingh betrokken van 13 mei 2020 en 25 mei 2020.
De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 26 juni 2020 op basis van de schriftelijke stukken.
DE FEITEN
Op 14 februari 2020 verscheen op de website van Trouw een tv-column van de hand van M. Bos met de kop “Waarom schonk de NPO aandacht aan die pedofielenpartij?” (hierna: de publicatie). Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Op 21 januari 2020 nog deed de politie bij hem [een in het televisieprogramma geïnterviewde persoon, RvdJ] een inval in het onderzoek naar vernieuwde activiteiten van de verboden pedofielenvereniging Martijn.”
en
“Danny interviewde ook Priscilla en Marcel Jeninga van de Stichting Strijd tegen misbruik die jarenlang procedeerden tegen Stichting Martijn. Hun buurman Geert B. had hun dochtertje van nul tot drie jaar oud misbruikt, en daarbij tips gekregen van die stichting hoe hij een kind kon benaderen en sporen kon wissen. In 2014 werd Stichting Martijn door de Hoge Raad verboden omdat de leden seks tussen volwassenen en kinderen normaal vonden, propageerden en verheerlijkten.”
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Klagers stellen – kort samengevat – het volgende. Momenteel wordt justitieel onderzoek verricht naar vernieuwde activiteiten van Stichting Martijn en mogelijke betrokkenheid van klagers daarbij. Mede in dat licht willen klagers op geen enkele wijze worden geassocieerd met het geven van misbruiktips. Dit gebeurt echter door de publicatie wel, aangezien zij prominente oud-leden zijn van Stichting Martijn. Daarbij komt dat het geven van misbruiktips ten onrechte als feit is gepresenteerd. Volgens klagers worden zij door de onjuiste berichtgeving persoonlijk in hun belangen geschaad.
Trouw stelt hier – eveneens samengevat – het volgende tegenover. Klagers kunnen niet als rechtstreeks belanghebbenden worden beschouwd. Het artikel gaat niet over hen en zij zijn ook in het besproken televisieprogramma niet als betrokkenen aangesproken.
BEOORDELING VAN HET RECHTSTREEKS BELANG
Volgens artikel 2 lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klacht worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Een klager kan als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.
De Raad stelt vast dat klagers niet in de berichtgeving zijn genoemd en dat de berichtgeving ook geen directe betrekking heeft op hen. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat de belangen van klagers direct betrokken zijn bij de gewraakte berichtgeving en dat zij door de berichtgeving persoonlijk in hun belangen zijn geraakt.
Nu klagers geen rechtstreeks belang hebben bij de zaak zal de Raad de klacht niet inhoudelijk behandelen.
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2016/47
Relevante artikelen uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2 lid 1 en 9 lid 2
CONCLUSIE
De Raad behandelt de klacht niet inhoudelijk.
Zo vastgesteld door de Raad op 24 juli 2020 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, L.A.M.M. Donders, dr. H.P. Groenhart, mw. dr. J. Luttikhold en mw. A. Pruis, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.E.H.J. Vollaers, plaatsvervangend secretaris.