2020/15 Zorgvuldig

Federatie Indische Nederlanders / C. Verbraak en BNNVARA (Onze Jongens op Java)

Samenvatting

C. Verbraak en BNNVARA hebben in de documentaireserie “Onze Jongens op Java” op journalistiek zorgvuldige wijze aandacht besteed aan de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Volgens de Federatie Indische Nederlanders (klaagster) is sprake van onjuiste en suggestieve berichtgeving, maar de Raad deelt dit standpunt niet. De documentaire behelst vooral de persoonlijke verhalen van geïnterviewde veteranen en is met name gericht op de periode waarin zij in Indonesië aanwezig waren, te weten: na de zogeheten Bersiap. Het stond Verbraak en BNNVARA vrij om ook in voice-overs de nadruk op die periode te vestigen. Uit de berichtgeving volgt niet dat het aantal slachtoffers aan Indonesische zijde alleen te wijten is aan de handelingen van Nederlandse militairen. Evenmin wordt gesuggereerd dat enkel Indische Nederlanders die samenwerkten met de Hollanders werden gedood. Uit de documentaireserie wordt genoegzaam duidelijk hoe complex dit conflict was en nog altijd is.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Federatie Indische Nederlanders

tegen

C. Verbraak en BNNVARA (Onze Jongens op Java)

De heer J.M.L. Moll, voorzitter, heeft op 27  januari 2020 namens Federatie Indische Nederlanders (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de heer C. Verbraak en BNNVARA (hierna gezamenlijk: BNNVARA). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van heer mr. B. Priem, Juridische Zaken van BNNVARA, van 24 februari 2020.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 6 maart 2020. Aan de zijde van klaagster waren de heer Moll en mr. drs. M. Lentze, bestuurslid, aanwezig. Namens BNNVARA zijn de heer Verbraak en de heer Priem verschenen. Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van notities.

Een van de Raadsleden heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

Op 6 november 2019 is op de website van BNNVARA een persbericht verschenen met de kop “’Onze Jongens op Java’ van Coen Verbraak” betreffende de vierdelige documentaireserie van Verbraak over Indië-veteranen. De intro van het bericht luidt:
“De meeste Indië-veteranen die de ‘politionele acties’ van 1945–1949 overleefden, vertelden de buitenwereld nooit over wat ze in Indië meemaakten. Het merendeel hield 70 jaar lang z’n mond, zelfs tegenover hun dierbaren. In ‘Onze Jongens op Java’, de vierdelige serie die journalist en historicus Coen Verbraak voor BNNVARA maakte, vertellen veertien van hen voor het eerst publiekelijk hun verhaal.”
Verder bevat het bericht de volgende passage:
“In de vier jaar die volgen, stuurt Den Haag 120.000 militairen – zowel dienstplichtigen als oorlogsvrijwilligers – naar de Oost om de Indonesische nationalistische opstand neer te slaan. ‘Politionele acties’ worden ze verhullend genoemd. Maar het is niets minder dan een echte oorlog. Het wordt de grootste Nederlandse overzeese gevechtsoperatie ooit, die in vier jaar tijd ruim 100.000 Indonesiërs en meer dan 6.000 Nederlandse militairen het leven zal kosten.”

Klaagster heeft op 13 november 2019 haar bezwaren tegen dit bericht aan BNNVARA voorgelegd en verzocht om rectificatie. BNNVARA heeft dat verzoek niet gehonoreerd.

In de eerste aflevering, uitgezonden op 21 november 2019, zegt de voice-over het volgende:
“In de vier jaar die volgen, stuurt Den Haag 120.000 militairen naar de Oost om de Indonesische nationalistische opstand neer te slaan. ‘Politionele acties’ worden ze verhullend genoemd. Maar het is niets minder dan een echte oorlog, die in vier jaar tijd ruim 100.000 Indonesiërs en meer dan 6.000 Nederlandse militairen het leven zal kosten.”

In de tweede aflevering, uitgezonden op 28 november 2019, zegt de voice-over het volgende:
“Kort nadat Soekarno in augustus 1945 de onafhankelijke republiek Indonesië uitroept, ontbrandt er een explosie van geweld. Tijdens de zogenoemde Bersiap keren nationalistische milities, jongeren gewapend met speren en stokken, zich met grof geweld tegen Nederlanders – Belanda’s – en Indische Nederlanders.”
Vervolgens zegt een geïnterviewde veteraan:
“Nou, die Japanners hebben erg veel verpest hoor. Want die hebben, nadat die Indonesië bezet hadden kregen die jonge Javanen vanaf 14 jaar een soort militaire training. En die werden bewapend met bamboe-speren (…). Het waren gemene dingen hoor.”
Hierop vervolgt de voice-over:
“De milities van woedende Indonesische jongeren keren zich tegen de Nederlanders én tegen Indische Nederlanders die met de Hollanders samenwerken.”
En even verderop zegt de voice-over:
“Vele duizenden Nederlandse, Indo-Europese en Ambonese burgers zullen de Bersiap niet overleven.”

Op 28 november 2019 heeft klaagster zich opnieuw met haar bezwaren tegen de berichtgeving gewend tot BNNVARA en verzocht om rectificatie. Wederom is niet aan dat verzoek voldaan.

DE STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN

Klaagster stelt – kort samengevat – het volgende. De in de berichtgeving vermelde cijfers over het aantal doden zijn onjuist en onvolledig. Door de manier waarop de cijfers zijn gepresenteerd, wordt ten onrechte gesuggereerd dat alleen Nederlandse militairen verantwoordelijk zijn voor de dood van de slachtoffers aan Indonesische zijde. Een substantieel deel van de 100.000 Indonesische doden was het gevolg van Indonesische strijd onderling. Verder bevatten de cijfers een onjuiste tegenstelling: het genoemde aantal Indonesische doden betreft zowel burgers als militairen, terwijl het genoemde aantal Nederlandse doden alleen betrekking heeft op militairen. In dezelfde periode zijn echter ook (tien)duizenden (Indisch) Nederlandse burgers door Indonesiërs om het leven gebracht (gedurende de zogeheten ‘Bersiap’). Daarbij komt dat BNNVARA geen rekenschap heeft gegeven van het aantal Ambonese, Chinese en Nederlandsgezinde Indonesische slachtoffers, die in deze periode door toedoen van Indonesische opstandelingen om het leven zijn gebracht.
Verder is in de tweede aflevering ten onrechte gesuggereerd dat Indische Nederlanders door Indonesiërs zijn afgeslacht omdat zij ‘met de Hollanders samenwerkten’. Hiermee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat Indische Nederlanders die niet met de Hollanders samenwerkten, zijn gespaard. Bovendien wordt gesuggereerd dat de Indische Nederlanders die samenwerkten met de Hollanders ‘fout’ waren, net zoals Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog samenwerkten met Duitsers.
Op de zitting voegt klaagster hieraan toe dat zij weliswaar dezelfde cijfers op haar website heeft gepubliceerd, maar dat in haar bericht sprake is van een andere context. Zij heeft het namelijk specifiek over de politionele acties vanaf 1947, terwijl de berichtgeving van BNNVARA betrekking heeft op de gehele Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog van 1945-1950, waarin ook de Bersiap heeft plaatsgevonden. De Bersiap is een vergeten, traumatische tijd, die de reden vormde voor de uitzending van de Nederlandse militairen.
Klaagster vindt dat de onjuiste, suggestieve berichtgeving over deze bloedige periode uit de Nederlandse geschiedenis journalistiek onverantwoord is. Op de zitting benadrukt zij dat er nog een onderzoek gaande is over deze periode. Zij meent dat BNNVARA de zaak bagatelliseert. De omissies – veroorzaakt door keuzes – hebben tot gevolg dat het leed van Indische Nederlanders wordt weggemoffeld. De berichtgeving is dan ook kwetsend voor (Indische) Nederlanders.

BNNVARA stelt daar – eveneens kort samengevat – het volgende tegenover. Verbraak heeft zich als journalist en historicus grondig verdiept in het onderwerp. De invalshoek voor de serie was voornamelijk: hoe is het om deze periode te hebben meegemaakt en daar 70 jaar over te zwijgen? De periode is vooral belicht door de ogen van de geïnterviewde veteranen. Dit is een journalistieke keuze die Verbraak mocht maken.
De cijfers die zijn genoemd in het persbericht en de documentaireserie zijn gebaseerd op schattingen van het aantal doden van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Hoewel het gaat om schattingen, zijn deze cijfers naar de huidige stand van het historisch onderzoek verdedigbaar. Dat wordt ook bevestigd door de NPO-ombudsman in haar bevindingen naar aanleiding van de klacht die klaagster aan haar heeft voorgelegd. Ook klaagster maakt gebruik van deze cijfers, te weten in een bericht op haar website. BNNVARA betwist dat met de cijfers wordt gesuggereerd dat de 100.000 Indonesiërs slachtoffer zijn geworden van het handelen van (alleen) Nederlandse militairen. Ook is geen sprake van een onjuiste tegenstelling in de cijfers. Dit zijn interpretaties van klaagster, die BNNVARA niet onderschrijft. In dit verband wijst BNNVARA er nog op dat in de tweede aflevering duidelijk is vermeld dat “Vele duizenden Nederlandse, Indo-Europese en Ambonese burgers de Bersiap niet [zullen] overleven.”
Evenmin is gesuggereerd dat slechts Indische Nederlanders die met de Hollanders samenwerkten, zijn vermoord. Deze tekst moet worden bezien in de context van de gehele tweede aflevering. Daarin wordt de Bersiap uit verschillende invalshoeken belicht, onder meer via herinneringen van de geïnterviewden. Hierdoor kan geen sprake kan zijn van suggestieve journalistieke uitingen of een onjuiste lezing van de Indonesische moordpartijen. Overigens vindt de mededeling ook steun in de feiten: men keerde zich immers tegen Indische Nederlanders die met de Hollanders samenwerkten. Daarnaast wordt voldoende aandacht besteed aan het feit dat de situatie in Indonesië destijds zeer gecompliceerd was. Op de zitting wijst BNNVARA nog op de tekst die wordt uitgesproken vlak voor de door klaagster gewraakte passage: “Tijdens de zogenoemde Bersiap keren nationalistische milities, jongeren gewapend met speren en stokken, zich met grof geweld tegen Nederlanders – Belanda’s – en Indische Nederlanders.” Hieruit wordt duidelijk dat het niet alleen ging om Indische Nederlanders die samenwerkten met de Hollanders.
BNNVARA realiseert zich dat de documentaireserie emotionele reacties – zowel positieve, als negatieve – oproept. Van journalistiek onzorgvuldig handelen is echter geen sprake.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat journalisten vrij zijn in de selectie van wat zij publiceren. Dat brengt ook mee dat het aan de redactie is om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.
Gezien de opzet van documentaire is de bedoeling en de aard daarvan voor de kijker voldoende duidelijk: de documentaire behelst vooral de persoonlijke verhalen van de geïnterviewde veteranen en hun visie op de gebeurtenissen.

Verder constateert de Raad dat er (nog) geen officiële cijfers bestaan over het aantal doden tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Partijen delen overigens de mening dat ongeveer 100.000 Indonesiërs en 6.000 Nederlandse militairen het leven lieten.

Kern van de klacht is dat in deze opsomming de (Indisch) Nederlandse burgers niet zijn genoemd, die vooral tijdens de Bersiap zijn gedood. Volgens klaagster zijn de cijfers hierdoor onvolledig en is sprake is van een onjuiste, suggestieve tegenstelling.

Aangezien de documentaire vooral is gericht op de periode waarin de Nederlandse militairen in Indonesië aanwezig waren – ná de Bersiap – heeft BNNVARA niet onzorgvuldig gehandeld door ook in haar voice-overs de nadruk op die periode te vestigen. Daarbij komt dat in de tweede aflevering, waarin aandacht is geschonken aan de Bersiap, wel degelijk is vermeld dat “vele duizenden Nederlandse, Indo-Europese en Ambonese burgers de Bersiap niet [zullen] overleven”.

Anders dan klaagster maakt de Raad uit de berichtgeving niet op dat het aantal slachtoffers aan Indonesische zijde alleen te wijten is aan de handelingen van Nederlandse militairen. Als hetgeen in de diverse uitzendingen naar voren is gebracht, in onderling verband en samenhang wordt bezien, is duidelijk dat onder de genoemde 100.000 Indonesische slachtoffers ook doden zijn begrepen die het gevolg zijn van gewelddadigheden van Onafhankelijkheidsstrijders. Overigens blijkt uit de documentaireserie genoegzaam hoe complex dit conflict was en nog altijd is.

Evenmin deelt de Raad het standpunt van klaagster dat wordt gesuggereerd dat enkel Indische Nederlanders die samenwerkten met de Hollanders door de Indonesiërs werden gedood. De passage moet worden bezien in de context van de gehele tweede aflevering. Daaruit blijkt dat nationalistische milities zich met grof geweld hebben gekeerd tegen Nederlanders en Indische Nederlanders in het algemeen. De redenering van klaagster dat een beeld is geschetst dat Indische Nederlanders die samenwerkten met de Hollanders vergelijkbaar zijn met Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerden met de Duitsers, vindt geen steun in de uitzending.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van onjuiste en suggestieve berichtgeving. C. Verbraak en BNNVARA hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Relevant punt uit de Leidraad van de Raad: A.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2019/52 en RvdJ 2019/43

CONCLUSIE

C. Verbraak en BNNVARA hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 6 mei 2020 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mw. drs. E.M.H. Lemaier, A. Olgun en H.P.M.J. Schneider, leden in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. N. Tibold, plaatsvervangend secretaris.