Deze vraag houdt de gemoederen flink bezig sinds de Duitse komiek Jan Böhmermann zich onlangs op tamelijk grove wijze spottend over de Turkse president Erdogan uitliet.
De vrijheid van meningsuiting is een van onze mensenrechten, vastgelegd in de grondwet en diverse internationale verdragen, en heeft als belangrijk uitgangspunt dat je niet ‘voorafgaand verlof nodig hebt om gedachten of gevoelens te openbaren’. We kennen hier – gelukkig – geen censuur.
Maar betekent dit dat degene over wie het gaat, zich alles moet laten welgevallen? Nee; ook in een heel vrij land als dat van ons zijn vrijheden niet onbegrensd, hoewel dat bij uitingsvrijheid voor velen moeilijk voorstelbaar is. De Raad (en de rechter) is er juist voor mensen die bezwaar hebben tegen de wijze waarop media van hun persvrijheid (een bijzondere vorm van de uitingsvrijheid) gebruik hebben gemaakt. Cabaretier Freek de Jonge – van wie ik verder geen grote fan ben – verwoordde het treffend in De Wereld Draait Door met de retorische vragen: “Mag je iemand beledigen? (…) Mag iemand beledigd zijn? (…)”
Met andere woorden: degene die zich beledigd voelt, heeft óók het recht om zich daartegen – achteraf (!) – te verzetten. De vrijheid van meningsuiting is nu eenmaal geen ‘absoluut’ recht. Die vrijheid mag volgens het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens onder meer worden ingeperkt als dit nodig is ‘in het belang van (…) de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen (…)’.
Als het om een journalistieke uiting gaat, kan iemand zijn klacht voorleggen aan de Raad. Die oordeelt (uiteraard) niet over uitlatingen van cabaretiers, maar columns en spotprenten van journalisten zijn daarmee vergelijkbaar. Volgens onze Leidraad mogen cartoonisten en recensenten overigens gebruik maken van ‘stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten’. Daarnaast kan iemand naar de civiele rechter stappen als hij meent dat sprake is van een onrechtmatige daad en ook in Nederland kan vervolging plaatsvinden bij smaad of opzettelijke belediging.
Zo beoordeelde de Raad eens een klacht van een lokale politicus over een column waarin hij en zijn collega werden vergeleken met twee personages uit de Muppet Show (Waldorf en Statler, u weet wel: die twee oude mannetjes in de loge op het balkon). De Raad vond die – voor klager onwenselijke – vergelijking ‘niet zodanig kwetsend of beledigend dat daarmee grenzen waren overschreden’.
Het is dus aan Raad of rechter om na afweging van de betrokken belangen de vraag te beantwoorden of op een (journalistiek ethisch c.q. juridisch) toelaatbare wijze gebruik is gemaakt van de vrijheid van meningsuiting.
Ik wil geenszins het regime van Erdogan verdedigen, zoals ik eerder schreef staat in Turkije de persvrijheid ontegenzeglijk ernstig onder druk. En de oproep van het Turkse consulaat in Rotterdam om Erdogan-beledigingen te melden, is op z’n zachtst gezegd opmerkelijk. Maar om in het geval van Böhmermann en Erdogan nú al – voordat de rechter zich daarover heeft uitgelaten – te concluderen dat ‘de uitingsvrijheid (te ver) is ingeperkt’, lijkt mij te vroeg.
Ondertussen sluit ik me aan bij zanger Stef Bos: “Bij het recht om te zeggen wat je denkt hoort de plicht om te denken over wat je zegt.”