Openbare bronnen brengen ons dichter bij de werkelijkheid van deze oorlog, want oorlogsverslaggeving is nu vooral de kunde van Open Source Intelligence (Osint). Het brengt dilemma’s met zich mee, waar journalisten een antwoord op hebben.
De geschiedenis van de oorlogsverslaggeving begint volgens de journalist Phillip Knightley in 1854, uitgerekend op de Krim. Voor het eerst sturen Britse kranten hun eigen mensen om verslag te doen van het offensief tegen de Russische opmars: ‘Om tien minuten over elf rukte onze Lichte Brigade van de cavalerie op… Zij raasden trots voorbij, schitterend in de ochtendzon in alle pracht en praal van oorlog’ (William Howard Russel, The Times).
Knightley beent in The First Casualty (1975) met grote passen over de vele slagvelden van de vorige eeuw op zoek naar de oorlogsverslaggever. Zijn boek is vernoemd naar het gezegde dat de waarheid het eerste slachtoffer van de oorlog is. De schrijver kan dat slechts beamen.
Als journalisten al niet onderworpen zijn aan strenge censuur, beoefenen zij zelfcensuur. Zij kiezen partij, uit vaderlandsliefde of uit opportunisme omdat hun uitgevers denken dat het publiek het verlangt. Zij laten zich vaak meeslepen door propaganda en sommigen gebruiken liever hun fantasie dan dat zij hun leven wagen aan het front. Zij laten zich de status van held aanleunen. Maar volgens Knightley verdienen slechts enkele verslaggevers die eer omdat zij wél onbevreesd en onafhankelijk blijven zoeken naar de waarheid.
Hij eindigt de eerste editie van zijn boek met de Vietnam-oorlog. Er is geen censuur en een nieuwe generatie verslaggevers kan overal bij zijn. De generaals gaan er van uit dat zij in de eerste plaats nog altijd patriot zijn. De berichtgeving over Vietnam is volgens Knightley misschien nog wel het beste sinds de Krim. ‘Maar dat zegt nog niet zoveel’, voegt hij er somber aan toe. Hoe onbelemmerd ze ook zijn, de media gaan lange tijd voorbij aan het grotere verhaal van de tot mislukken gedoemde interventie.
Moedige journalisten mogen van nabij verslag doen van de bloedige strijd om een heuvel, maar zij kunnen niet zeggen waarom die heuvel zo belangrijk is en wie wint. Zij kunnen het publiek hoogstens laten zien hoe verschrikkelijk het is. Volgens dezelfde generaals wordt de oorlog verloren in de huiskamer van de Amerikaanse tv-kijkers.
Een kwart eeuw later, voegt Knightley, nieuwe hoofdstukken toe aan zijn geschiedenis. Vietnam blijkt een dure les. De verslaggever wordt zo veel mogelijk aan banden gelegd op de Falklands, in Grenada, Panama, de Golf en Kosovo. De wereld moet geloven dat oorlog ‘schoon’ is dankzij precisiebombardementen en dat de vijand een duivelse macht is.
Hij besluit zijn geschiedschrijving in mineur. Knightley vraagt zich af wat nog de zin is van oorlogsverslaggeving. De krijgsheren en hun pr-adviseurs zullen alleen nog maar verder gaan in liegen en bedriegen. ‘De droeve waarheid is dat in het nieuwe millennium, de regeringspropaganda zo bekwaam de burgers voorbereidt op oorlog, dat het heel aannemelijk is dat zij helemaal geen prijs stellen op de waarheidsgetrouwe, objectieve en evenwichtige verslaggeving waarvoor oorlogscorrespondenten ooit hun best deden.’
Terugbladerend in zijn boek betwijfel je of verslaggevers in oorlogstijd wel ooit aan zijn hoge verwachtingen kunnen voldoen. En je vraagt je af hoe hij nu naar de oorlog in Oekraïne zou kijken. Bewijst de oorlogsverslaggeving postuum (Knightley overleed in 2016) zijn ongelijk? Het is na een jaar veel te vroeg om die vraag te beantwoorden. Er is ook zoveel dat we niet weten en dat ons pas later, gedeeltelijk, bij stukjes en beetjes, zal bereiken.
Maar we weten wel dat de berichtgeving compleet anders is. Het zijn misschien niet zozeer de journalisten, als wel de burgers die vanaf het begin het verschil maken. Gewapend met hun smartphones leiden zij troepen naar hun doelwitten, ontmaskeren zij de propaganda van de vijand, voeren zij ons mee naar de loopgraven en kapotgeschoten huizen en vergaren zij onze steun door vooral hun menselijkheid te tonen. Daarbij scheelt het dat de scheidslijn tussen goed en kwaad hier zo duidelijk is.
Burgerinformanten zijn er in alle oorlogen geweest, maar nu staan zij aan het front van een ongeorganiseerd, wereldwijd leger van informatiezoekers en -verspreiders: activisten, analisten, spionnen, hobbyisten, hulpverleners, diplomaten, burgerjournalisten en ‘gewone’ journalisten. Zij verbinden informatie uit alle bronnen, die nog niet zo lang geleden slechts beschikbaar waren voor staten en hun veiligheidsdiensten. De digitale slordigheid van de vijand helpt.
Oorlogsverslaggeving is nu vooral de kunde van Open Source Intelligence (Osint): het verifiëren en analyseren van publiek beschikbare data. Media hebben laten zien hoe zij de basis kunnen vormen voor bijzondere verhalen. In deze oorlog lijkt de waarheid zich nog niet zo snel gewonnen te geven.
Het roept natuurlijk ethisch ongemak op. Hoe zorgvuldig kan informatie zijn als de tijdsdruk om haar te verspreiden zo groot is? Hoeveel ruimte is er om afwegingen te maken tussen het belang van publicatie en de mogelijk dodelijke gevolgen? Hoe onbevooroordeeld kun je eigenlijk zijn en blijven? En wat doen al die verschrikkelijke beelden intussen met je geest?
Academici breken zich hierover het hoofd in allerlei fora die aan het fenomeen Osint worden gewijd. Zij stellen vast dat in de drang het oorlogsnieuws te delen, de morele vragen vaak niet eens gesteld worden door degenen die dat niet gewend zijn. Professionele journalisten zouden de andere actoren in dit informatieleger tot voorbeeld kunnen dienen. Zij zijn vertrouwd met dilemma’s, zij kunnen afwegingen maken op basis van hun universele mores. Dat kan hun unieke aandeel zijn in de verdediging van de waarheid.
