De Mores – Moeten journalisten ‘het goede’ doen?

Het is goed dat de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening ook de rol van de media bekritiseert, het is jammer dat een journalist daar weinig aan heeft.

Onder de titel ‘de mores’ schrijft Frits van Exter over dilemma’s in de journalistiek, gebaseerd op de praktijk van de Raad voor de Journalistiek. De serie verschijnt op villamedia.nl en op deze site.

In ‘Blind voor mens en recht’ spreekt de parlementaire enquêtecommissie klare taal. Journalisten en Kamerleden hebben ‘een aanjagende rol gespeeld’ in de verharding van het klimaat ten aanzien van uitkeringsfraude met name door mensen met een migratie-achtergrond.

Zij hebben elkaar daarbij opgejut: meer aandacht voor fraude in de media, betekent meer aandacht in het parlement, waardoor bewindspersonen en ambtenaren onder meer druk komen te staan om er wat aan te doen.

Sommigen noemen dit misschien ‘democratie’, maar de commissie spreekt van een ‘papegaaiencircuit tussen politiek en media’. De aandacht voor fraude was immers ‘onevenredig’ en ook discriminatoir; het ging vooral over Bulgaren, Turken of Marokkanen, zelden over het gesjoemel door Nederlandse gepensioneerden aan de Spaanse kust.

De commissie benoemt ook een oorzaak: media hebben vooral aandacht ‘voor ophef en conflict en minder voor het inhoudelijke debat’. Het is niet alleen een generalisatie, maar ook een gemeenplaats. Het is waar dat media (sinds mensenheugenis) zo zijn en het is ook waar dat media daarin van elkaar verschillen. De kritiek getuigt vooral van een bepaalde opvatting over wat media zouden moeten zijn.  En ook van het misverstand dat journalisten en politici dezelfde verantwoordelijkheid hebben om ‘het goede’ te doen: minder ophef en conflict, meer inhoud. Media kunnen misschien agenderen, maar alleen politici kunnen handelen.

De meeste media hebben dit vrij gelaten over zich heen laten gaan – het is niet het eerste rapport waarin ze de maat wordt genomen. De hoofdredacteur van de Volkskrant maakt bezwaar tegen de beschrijving van ‘de media’ als homogene macht, maar beaamt dat de redactie misschien meer had moeten doen aan de schaduwzijden van de fraudebestrijding. De ombudsman van NRC vond achteraf dat er wel veel aandacht was geweest voor fraude door mensen van andere komaf, maar ziet een dilemma: ‘Moet je het dan niet opschrijven als je bronnen over nieuwe fraudeverdenkingen beginnen?’ Alleen de hoofdredacteur van De Telegraaf bijt van zich af: ‘… het is vooral niet aan de politiek om te oordelen over hoe onafhankelijke nieuwsmedia zich dienen te gedragen en wat ze wel of niet zouden moeten publiceren. Dat is aan redacties zelf. Als politici zich opgejaagd voelen door nieuwsberichten en daardoor achteraf gezien verkeerde besluiten hebben genomen, dan is dat zeker problematisch en dienen zij aan zelfreflectie te doen.’

De enquêtecommissie ontleent haar mediawijsheid aan een ‘contextanalyse’ van het discours over sociale zekerheid, die zeven wetenschappers van de Vrije Universiteit in haar opdracht hebben gemaakt. Zij baseren hun kwalitatieve kritiek mede op de uitkomsten van een kwantitatief onderzoek, waarbij allerlei woordcombinaties zoals ‘sociale zekerheid’ en ‘fraude’ zijn geturfd in publicaties.

Na een klein college over ‘medialogica’ (de media bepalen wat nieuws is) komen zij tot de aanbeveling om een ‘nieuwe bestuurscultuur mogelijk te maken’. Wat dat ook is, het vereist volgens de wetenschappers een geheel andere politiek en journalistiek: ‘Zowel media als politici zullen moeten komen tot een manier van werken waarin het mogelijk is om serieus in te gaan op mogelijke problemen en beter te luisteren naar de experts binnen de diverse adviesraden die Nederland rijk is, ook als dat leidt tot een kritische reflectie op de eigen politieke plannen. Hiervoor lijkt het nodig om elkaar soms minder als tegenstander te zien en te erkennen dat het doel uiteindelijk hetzelfde is: beter beleid en goede uitvoering.’

Het is een, wat krom geformuleerde, opinie. Ik begrijp dat de wetenschappers in de onthullingen over het toeslagenschandaal een voorbeeld zien van een geslaagde, meer constructieve samenwerking tussen journalisten en politici. Dat is in de kern niet zo’n uitzonderlijke manier van werken. Politici en journalisten voeden elkaar dagelijks met informatie in het besef dat ophef en conflict vaak nodig zijn om inhoudelijke veranderingen te bewerkstelligen.

Daarbij gaan dingen mis. Generaliserende kritiek daarop heeft weinig zin, net zomin als algemene uitspraken over wat wenselijk is. De journalistiek kan beter aangesproken worden op vakbekwaamheid, zo concreet en precies mogelijk.

Frits van Exter is voorzitter van de Raad voor de Journalistiek. Hij heeft geen stem bij de beoordeling van klachten. Hij verwoordt slechts zijn eigen mening.