De Mores: Kun je met een gedragscode nepnieuws bestrijden?

De Vlaamse collega’s hebben de journalistieke gedragscode aangepast, waarbij zij rekening hebben willen houden ‘met de verdergaande digitalisering en de maatschappelijke aandacht voor fake news’. Tot ergernis van Alexander Pleijter. De dappere strijder tegen nepnieuws aan de Universiteit Leiden twitterde dinsdag: ‘Is de Vlaamse Raad voor de Journalistiek gek geworden?’

Met de aanpassingen is volgens hem weinig mis, maar hij is vooral boos dat de Raad in zijn toelichting ‘meegaat in het frame dat elke journalistieke fout nepnieuws genoemd mag worden’. Pleijter: ‘Het doelbewust verzinnen van nieuws om mensen om de tuin te leiden heeft helemaal niks van doen met journalistiek.’

De Vlamingen hebben aan hun artikel over waarheidsgetrouwe berichtgeving toegevoegd dat ‘snelheid niet mag voorgaan op waarachtigheid’. Redacties moeten voorts behoedzaam zijn in het doorlinken en zij moeten online geplaatste artikelen, die nep blijken, niet stilletjes laten verdwijnen maar rechtzetten, opdat het publiek er tenminste nota van kan nemen. En ‘om de verspreiding van fake news tegen te gaan’ moet de journalist bij opiniebijdragen, ‘waarvan hij weet dat ze relevante en manifeste feitelijke fouten bevatten’ daarvan melding maken.

Van de voorzitter van de Nederlandse Raad voor de Journalistiek mag je verwachten dat hij over voldoende diplomatieke gaven beschikt om collega’s in het nabije buitenland niet voor het hoofd te stoten. Dus bij deze: voor zover ik weet zijn ze niet gek geworden. En dat geldt ook voor de Internationale Federatie van Journalisten, die de moeder aller journalistieke codes (Verklaring over de beginselen van journalistiek gedrag, Bordeaux, 1954) in juni na 33 jaar heeft aangepast. Ook daar was kennelijk behoefte om duidelijker te maken waarin de journalistiek zich in deze tijd dient te onderscheiden.

Ik ben het met Pleijter eens dat de term ‘nepnieuws’ snel wordt misbruikt. Een journalistieke onzorgvuldigheid mag niet verward worden met het verspreiden van desinformatie om politieke of commerciële redenen.

In Nederland lijkt het nog mee te vallen, maar journalisten dragen natuurlijk wel bij aan de verspreiding van nepnieuws. Kijk naar de sites van bekende media, waar dun bezette redacties ons 24/7 klik-aas voor houden – de nieuwscheckers van Pleijter hebben er de handen vol aan. Sommige maatschappelijke debatten worden ook vervuild door inderdaad ‘relevante en manifeste feitelijke fouten’ die journalisten laten passeren.

En journalisten kunnen zich laten meeslepen door het grote leger ‘desinformanten’ dat elke dag zijn boodschap  als nieuws probeert te verkopen.

 

Desinformatie is een groot en veelkoppig monster. De vraag is of een gedragscode helpt. Een code is geen wetboek of reglement. De Leidraad van onze Raad voor de Journalistiek is ook niet meer of minder dan een opsomming van criteria voor zorgvuldigheid, zoals waarheidsgetrouw, open vizier, verantwoordelijk, onafhankelijk. Hij biedt houvast bij de beoordeling van klachten, maar elke zaak is weer anders en de afweging van belangen (publiek belang en privacy bijvoorbeeld) laat zich niet in regels vangen.

 

Natuurlijk moet je regelmatig kijken of de mores nog van deze tijd zijn, maar je moet de druk om de journalistiek in detail te reglementeren weerstaan. Elke nieuwe regel kan immers vragen om uitzonderingen of om meer regels omdat nog niet alles is ‘afgedekt’. Zo kennen de Vlamingen een apart artikel waarin de collega’s gemaand worden terughoudend te zijn in de berichtgeving over rouwplechtigheden.

Veel oude, algemene uitgangspunten staan recht overeind. Het streven waarheidsgetrouw te zijn lijkt me bijvoorbeeld redelijk duurzaam, of je nu snel of langzaam publiceert.

 

Frits van Exter is voorzitter van de Raad voor de Journalistiek. Hij heeft geen stem bij de beoordeling van klachten. Hij verwoordt slechts zijn eigen mening.