Berichtgeving over samenzweringstheorieën is lastig. Journalisten zijn immers zelf van nature een beetje complotdenkers. En als ze dat niet zijn, moeten zij haast wel onderdeel zijn van het complot.
‘Ik geloof niet in feiten’, zei Yvonne Boonstra dinsdag in een reportage van Nieuwsuur over ruzies binnen families over complot-theorieën. ‘Het klinkt (…) misschien wat vaag, maar wat is een feit?’ Haar dochter, een journaliste, ziet met lede ogen aan hoe Boonstra zich online laat meeslepen door denkbeelden, die soms zelfs Facebook te gortig zijn: zo deelde zij de mare dat veel artsen zijn vermoord of verdwenen omdat ze openlijk twijfelden over de zin van vaccinaties. Boonstra zegt niet te weten wat waar is, maar wil slechts wijzen op andere denkbeelden die niet aan bod ‘mogen’ komen – het is een bekend mantra in haar nieuwe wereld.
De pandemie is een rijke voedingsbodem voor alle mogelijke samenzweringstheorieën. Dat baart zorgen omdat zij het vertrouwen kunnen ondermijnen in de bestrijding van de corona-crisis.
Journalisten kampen met dilemma’s in de berichtgeving over dit fenomeen. Hoe lang blijft het een marginaal verschijnsel waar je geen aandacht aan hoeft te besteden? En als het dat niet meer is, hoeveel ruimte geef je complotdenkers dan? Hoe voorkom je dat je het vuurtje aanwakkert?
Maar er is nog een ander probleem. Journalisten zijn immers haast natuurlijke bondgenoten van complotdenkers. Ook zij geloven niet zomaar in de feiten, zeker niet als zij voorgeschoteld worden door lui die bij publiciteit wat te winnen of te verliezen hebben. Ook zij blijven vragen stellen, soms op zo’n manier dat mensen ervan overtuigd raken dat er iets stinkt.
En, iets anders, er blijken ook genoeg echte samenzweringen te bestaan: Watergate, de vernietigingswapens in Irak, de diesel van Volkswagen, prins Bernhard, de tabaksindustrie, de Russische trollen, Jeffrey Epstein. Dagelijks wordt de waarheid opzettelijk geweld aangedaan. En het meeste weten wij nog niet eens (dat besef is het eerste zaadje van het ware complotdenken).
Een verschil is dat veel journalisten menen dat zij professionele waarheidsvinders zijn. Zij laten zich door de feiten leiden waarheen ze ook voeren. Terwijl complotdenkers slechts oog hebben voor alles wat hun vermoedens niet weerspreekt.
In de praktijk blijken ook de beste collega’s niet altijd immuun voor de sirenes van de samenzweringsverkondigers. Ik heb dat bijvoorbeeld bij Trouw gezien bij de verslaggeving na de Bijlmerramp in 1992. Omdat de vraag naar de lading van het vrachtvliegtuig van El Al niet afdoende kon worden beantwoord, voedde het journalistieke graafwerk speculaties over het verband tussen gezondheidsklachten van omwonenden en de lading: gifgas voor het Israëlische leger? Jaren later concludeerde het parlementaire onderzoek dat er geen samenzwering was. De vrachtbrieven waren eenvoudigweg niet in orde. Voor zover er sprake was van een samenzwering, betrof het de ambtelijke diensten, die hun bureaucratische missers verborgen hadden willen houden.
Het kan teleurstellend zijn als losse feiten toch niet met elkaar in een sinister verband blijken te staan. Journalisten die in hun ongelijk volharden, zoeken daarom misschien onderdak bij alternatieve media, zoals Café Weltschmerz, de digitale pleisterplaats voor een bonte verzameling complotdenkers. Daar worden ze in hun missie ook niet gehinderd door kritische collega’s.
De journalisten die weerstand blijven bieden, hebben weer een heel ander probleem: zij overtuigen niet omdat zij zelf onder verdenking staan dat zij deel uitmaken van de samenzwering. Het zijn immers de media die het publiek bewust onwetend zouden houden door slaafs de regering en het RIVM te volgen. Sommige mensen zijn daar zo kwaad over dat zij journalisten op straat molesteren en met de dood bedreigen.
Onder deze omstandigheden lijkt het een onmogelijke opgave om het publiek te ‘bevrijden’ uit het complotdenken. Het heeft ook weinig zin je daarbij te richten op degenen die zich er zo in hebben vastgebeten dat zij er hun bestaansrecht aan ontlenen. Denk liever aan de twijfelaars, degenen die antwoorden zoeken op hun vragen die in een pandemie zo van levensbelang kunnen zijn.
In een special van de Volkskrant over ‘corona en complotten’ (4 juli jl.), zei socioloog Jaron Harambam dat er meer ruimte moet zijn voor een ‘mondige, hoogopgeleide en kritische bevolking’ om volwaardig deel te nemen aan het debat over de bestrijding van corona. Zet ze niet weg als gekkies. Laat zien dat je hun vragen wel serieus wilt nemen.
Maar maak ook duidelijk dat een complot zich niet laat bewijzen door louter vragen te stellen. Het gaat om overtuigende antwoorden, maar ook om erkenning dat veel vragen (nog) niet beantwoord kunnen worden. De geloofwaardigheid van de journalistiek wordt ondermijnd door de pretentie dat zij de waarheid in pacht heeft.
Microbioloog Rosanne Hertzberger schreef in NRC dat complotdenkers een ’extreme uitwas’ van gezond wantrouwen zijn. Zij beaamt dat het idioot is om te denken dat Bill Gates ons wil injecteren met microchips om heer en meester van het universum te worden, maar je kunt je volgens haar best afvragen of zijn investeringen in de ontwikkeling van vaccins alleen maar goedbedoeld zijn. Ja, dat kun je je afvragen. Maar je kunt ook proberen een antwoord te vinden, bijvoorbeeld door zijn reputatie als filantroop mee te wegen. Wat heeft hij in al die jaren met al die miljarden gedaan dat het vermoeden van een sinistere agenda rechtvaardigt?
Het is de vraag of die informatie veel verschil maakt. Gedragswetenschappers waarschuwen dat het een misverstand is te denken dat je foute informatie kunt verdrijven met juiste informatie. Uit onderzoeken blijkt dat desinformatie blijft plakken in het brein. De voorstanders van een Brexit hamerden er in hun campagne in 2016 op dat de Europese Unie het Britse volk 350 miljoen pond per week kostte. Hoe meer media berichtten dat dat een leugen was, des te meer Britten ervan overtuigd raakten dat de Unie, zo niet 350 miljoen pond, dan toch een berg geld kostte.
Wie een mythe wil ontzenuwen, moet vermijden de mythe meteen te noemen. Leg liever eerst de nadruk op andere, echte feiten. En als je toch tegengas wilt geven, doe het dan niet met een overdaad aan ingewikkelde informatie. Vergeet uiteindelijk niet het beest bij de naam te noemen: dit is een mythe, hier zijn geen bewijzen voor. Leg uit waarom het een mythe is: er is eenzijdig geciteerd, de bron is onbetrouwbaar, de verspreider heeft een bepaalde agenda. Draag ook alternatieve verklaringen aan: bijvoorbeeld dat een onderzoek onder hele andere omstandigheden is uitgevoerd.
Begrijp hoe het complotdenken ontstaat en zich verspreidt. De pandemie jaagt angst aan. Mensen zoeken online verklaringen, vinden gelijkgestemden en kunnen zich verliezen in allerlei verhalen. Influencers op Instagram of TikTok lijken houvast te bieden. Doutzen Kroes roept bijvoorbeeld haar 6,4 miljoen volgers op: ‘Stel je eigen vragen, volg het geld en connect the dots!’ Maar wie het geld wil volgen, moet ook bedenken dat aandacht het verdienmodel van influencers is. Daar zou je je eigen influencers met hun eigen verhaal tegenover kunnen stellen.
Toon je onafhankelijkheid door kritisch te blijven over het beleid van de overheid, over de kennis van de wetenschap, over de belangen van verschillende partijen. Om Willem Engel van ‘Viruswaarheid’ te citeren: ‘Volg de feiten en je komt bij de waarheid.’ Maar dan moet je natuurlijk wel álle feiten willen volgen.
Frits van Exter is voorzitter van de Raad voor de Journalistiek, maar heeft geen stem in de beoordeling van klachten. Hij verwoordt slechts zijn eigen mening.
