Deze week publiceerden experts hun aanbevelingen over de aanpak van nepnieuws aan de Europese Commissie. Liever spreken zij overigens over ‘desinformatie’, omdat ‘nepnieuws’ vooral een diskwalificatie is van berichtgeving die mensen (Donald Trump) niet bevalt.
Maar ‘nepnieuws’ bekt nu eenmaal beter, waardoor er sneller op wordt geklikt en het hoger in de zoekresultaten komt. Dat is ongeveer hetzelfde mechanisme waardoor desinformatie zich zo snel kan verspreiden en de correctie daarop vrijwel onopgemerkt blijft. Wie wil nu weten dat de aarde toch rond is?
‘Desinformatie’ is het maken en verspreiden van ‘valse, onjuiste of misleidende informatie’ om politieke of financiële redenen. Sinds de Amerikaanse verkiezingen en het Brexit-referendum in 2016 staat het hoog op de agenda. Ook al weten we nog weinig over omvang en impact, wij vrezen dat nepnieuws onze democratie ondermijnt. Het kunnen de Russen zijn, het kan ook de buurjongen zijn, die wat wil bijverdienen zonder daarvoor uit zijn stoel te komen. We weten het niet en dat maakt het ook angstig ongrijpbaar.
De 39 deskundigen onder leiding van Madeleine de Cock Buning, voorzitter van het Nederlandse Commissariaat voor de Media, hebben oog voor het grote dilemma: hoe de desinformatie te bestrijden zonder inbreuk te doen op de vrijheid van meningsuiting. Zij waarschuwen dan ook voor drieste maatregelen door de EU en lidstaten.
Zij noemen geen landen bij naam, maar je kunt daarbij denken aan het Duitse parlement dat vorig jaar een wet invoerde, die sociale media verplicht haat zaaiende berichten te verwijderen op straffe van forse boetes.
Het streven is nobel, maar het is de vraag of je commerciële bedrijven verantwoordelijk moet maken voor hetgeen wel en niet gezegd mag worden.
De experts wijzen er bovendien fijntjes op dat ‘niet alle Europese politici en publieke gezagsdragers dezelfde mate van respect voor vrije en onafhankelijke media met elkaar delen’. De bestrijding van fakenieuws mag geen alibi zijn om de noodzakelijke ‘botsing van diverse en soms ongemakkelijke ideeën en informatie’ te belemmeren om politieke redenen.
De deskundigen – onder wie vertegenwoordigers van Facebook, Google en Twitter – vestigen hun hoop liever op zelfregulering. Wellicht hebben zij iets te hoge verwachtingen van de bereidheid van de sociale media-platforms zich open te stellen voor samenwerking, maar zolang zij tenminste de indruk wekken daartoe bereid te zijn, loont het om de proef op de som te nemen. Reguleren kan altijd nog.
Het Europese rapport bevestigt vooral het goede nieuws van nepnieuws. Naarmate meer mensen zich zorgen maken over desinformatie, neemt de waardering voor betrouwbare informatie toe. En daarmee stijgt ook de bezorgdheid over de broze staat van de journalistiek. Wetenschappers, maatschappelijke instellingen en politici buigen zich nu over haar ziekbed. Het onderwerp komt prominent op de onderzoeksagenda, alom klinkt de roep om meer onderricht in mediawijsheid en onze regering stelt zomaar structureel vijf miljoen per jaar beschikbaar voor onderzoeksjournalistiek. Er wordt minder smalend gesproken over ‘dode bomen’ en ‘main stream media’ in het besef dat onafhankelijke, professionele media broodnodig zijn.
De journalistiek kan daar haar voordeel mee doen op voorwaarde dat zij zich nog duidelijker onderscheidt in betrouwbaarheid en relevantie. Redacties poetsen hun mores op. De fact-check-rubrieken doen het goed. De ombudsmannen winnen terrein. Transparantie neemt toe. Maar belangrijker is dat goede journalistiek maatschappelijke impact heeft: ministers komen niet ten val door luidruchtige twitteraars, maar door vasthoudende journalisten. Dat was altijd al zo, maar door het nepnieuws neemt de waardering daarvoor toe. Als we niet uitkijken wordt de journalistiek nog een respectabel beroep.