Blog – Wat de Raad van Zembla kan leren

BNNVARA brak voorlopig met de Raad voor de Journalistiek. Een terugkeer is nog niet aanstaande. Maar er vallen wel al lessen te trekken.

De directie van BNNVARA schortte op 22 december 2020 de samenwerking met de Raad voor de Journalistiek op, omdat zij ‘zich volstrekt niet’ kon vinden in zijn oordeel over een klacht tegen het onderzoeksjournalistieke programma Zembla. Het ging om de berichtgeving over de stort van granuliet (een restproduct van het bewerken van graniet en steenslag voor asfalt) in een uiterwaard van de Maas. De klagers, de eigenaren van steenhandel Bontrup, worden beschuldigd van het bewust illegaal dumpen van schadelijke stoffen. De Raad concludeerde, kort samengevat, dat de beschuldiging van strafbaar handelen niet van genoeg context en duiding is voorzien en dat in de publicaties onvoldoende aandacht is besteed aan het wederhoor.

Het is onvermijdelijk dat klagers of verweerders het soms niet eens zijn met een conclusie van de Raad – over de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid kun je nu eenmaal twisten. Het is vervelender als zij zeggen zich daarin ‘volstrekt niet’ te kunnen vinden. En het is natuurlijk beroerd als dat zelfs leidt tot het opschorten van de samenwerking. Bovendien zegt BNNVARA dat het haar niet alleen om die ene zaak gaat; zij heeft ook algemene kritiek op onze werkwijze.

Gelukkig gaf BNNVARA ook te kennen dat zij met de Raad wil spreken over verbeteringen, die zouden kunnen leiden tot een terugkeer omdat de omroep dat ‘als transparante en toetsbare media-instelling (…) de meest wenselijke situatie’ vindt. De Raad verwelkomde dat voornemen. Ook al was het ons liever geweest als wij zo’n gesprek vóór de breuk hadden kunnen voeren, er leek tenminste perspectief om weer tot elkaar te komen.

Helaas zijn we, tien maanden later, nog niet toegekomen aan een échte gedachtewisseling. Na twee gesprekken en enkele e-mailwisselingen bleek dat het ongenoegen over de uitspraak te groot is. BNNVARA wil dat de Raad zijn conclusie herroept voordat er verder gesproken kan worden. Maar hoezeer de Raad de kritiek ook serieus neemt, hij ziet geen grond terug te komen op zijn oordeel. Zoals gezegd, kun je van mening verschillen over de uitkomst, maar dit is wat de Raadsleden na bestudering van de stukken, het aanhoren van partijen en onderling beraad, naar eer en geweten, hebben geconcludeerd.  De Raad kent ook niet de mogelijkheid van een hoger beroep, hoogstens van herziening op zeer beperkte gronden.
Op grond van de contacten hebben wij wel een beter idee gekregen van hetgeen heeft bijgedragen aan dat ongenoegen. Het gaat vooral om twee concluderende zinnen: ‘Een en ander heeft geleid tot eenzijdige, onevenwichtige en tendentieuze berichtgeving, waarbij de door klagers verstrekte informatie op onvoldoende adequate wijze is verwerkt. Zembla heeft daarmee journalistiek onzorgvuldig gehandeld.’

De term ‘tendentieus’ kan de indruk wekken dat er niet zozeer sprake is van een onzorgvuldigheid, als wel van doelbewuste misleiding. Dan lijkt de integriteit van de makers in het geding te zijn.

De Raad baseert zich echter bij de beoordeling van een klacht op de Leidraad. Het eerste beginsel is: ‘Journalisten berichten waarheidsgetrouw, controleerbaar en zo volledig mogelijk. Ze vermijden eenzijdige en tendentieuze berichtgeving.’ Een journalist kan met de beste bedoelingen een steek laten vallen, met als gevolg dat de berichtgeving, tenminste in de ogen van de klager, eenzijdig en tendentieus is.
De uitspraak is dus geen uitspraak over de integriteit van de journalisten. Het is ook geen uitspraak over Zembla of BNNVARA in het algemeen. Het ging om de klacht over een onderdeel van de berichtgeving. In de uitspraak wijst de Raad ook met zoveel woorden op het maatschappelijk belang van het journalistieke onderzoek in deze zaak.

Ik betreur het dat de betrokken medewerkers van BNNVARA zich door de Raad ‘ernstig beschadigd’ voelen. Zonder iets af te willen doen aan de conclusie, denk ik dat er lessen te trekken zijn. Daar hoeven we ook niet mee te wachten.

Een les is dat wij nog duidelijker moeten maken dat de Raad oordeelt over een concrete  klacht over een specifieke journalistieke gedraging. Om die reden stellen wij voor de kwalificaties ‘zorgvuldig’ en ‘onzorgvuldig’ weer te vervangen door ‘ongegrond’ en ‘gegrond’ – het moet gaan om de klacht.  Het bestuur, waarin alle media zijn vertegenwoordigd, zal daarover beslissen.

Bovendien willen wij in de formuleringen van conclusies ons nog bewuster zijn van het risico van verschillende interpretaties. Kwalificaties als ‘onevenwichtig, onvolledig en tendentieus’ zijn een gezamenlijke noemer waaronder een klacht kan vallen, maar de drie zijn niet onlosmakelijk met elkaar verbonden in de beoordeling. De Raad zal het gebruik van die termen duidelijker toelichten om misverstanden te voorkomen.
Dat geldt ook voor het onderscheid dat de Raad maakt tussen wat hij wel en wat hij niet kan vaststellen. Het is jammer dat kennelijk de indruk is gewekt dat de Raad een uitspraak zou hebben gedaan over de vraag of granuliet een onschadelijke grondsoort dan wel een vervuilende bouwstof is. De Raad heeft daar geen weet van en op dat punt dus ook geen stelling willen nemen.

BNNVARA heeft ook de meer algemene kritiek geuit dat procedures bij de Raad ‘te vaak (worden) gebruikt om met advocatenteams juridische geschillen uit te vechten, waarbij grote belangen en hoge schadeclaims op het spel staan’. In de granuliet-zaak hebben de klagers ook een bodemprocedure tegen de omroep aangespannen. De uitspraak van de Raad zou daarin een rol kunnen spelen, terwijl volgens BNNVARA de Raad daar niet voor is bedoeld en ook niet voor toegerust.

Die kritiek is in het verleden vaker geuit. De Raad is geen voorportaal van Justitie, maar zoals je partijen niet kunt verbieden ook naar de rechter te gaan, kun je van rechters ook niet verlangen dat hij uitspraken van de Raad negeert. In hoeverre onze conclusies gewicht in de schaal leggen, blijkt in de praktijk ongewis – in het recht gaat het immers om andere afwegingen dan bij journalistieke zelfregulering.

De Raad streeft ernaar zich niet te laten meeslepen in ‘juridische gevechten’, maar zich te beperken tot de vraag of de journalist zorgvuldig heeft gehandeld (in de toekomst dus of de klacht ‘gegrond’ is). Hoe ingewikkeld een dossier ook lijkt te zijn en hoeveel producties een jurist ook ter tafel legt, in de kern zijn veel zaken terug te brengen tot elementaire beginselen als wederhoor, open vizier, evenwichtig, waarheidsgetrouw, enzovoorts.
Overigens, het oordeel van de Raad kan partijen er ook toe brengen juist af te zien van een juridische procedure.

We zouden er graag verder over praten, ook met BNNVARA en andere betrokkenen. De Raad neemt kritiek van klagers en verweerders serieus. Van media mag je verwachten dat zij zich medeverantwoordelijk weten voor het goed functioneren van de Raad. Zij hebben in 1960 zelf de Raad in het leven geroepen omdat onafhankelijke, laagdrempelige zelfregulering, met alle makkes, de beste manier is om verantwoording af te leggen en daarmee bij te dragen aan het vertrouwen in de journalistiek.  In het besef dat het altijd beter kan.

Frits van Exter is voorzitter van de Raad voor de Journalistiek. Hij heeft geen stem bij de beoordeling van klachten.