Bekentenissen van een ‘Boris Boef’

De Raad voor de Journalistiek is een verschrikkelijke instelling – het leek mij goed om in mijn eerste blog als voorzitter er geen doekjes om te winden.

Ik spreek uit ervaring. In de jaren dat ik voor Trouw werkte, viel het nog wel mee: een handvol zaken en slechts in een enkel geval kwam de Raad tot het oordeel dat de klacht ‘gegrond’ was. Maar eenmaal bij Vrij Nederland beland, trad er kennelijk een proces van radicalisering in. Van de vier keer dat ik me in ruim zeven jaar als hoofdredacteur diende te verantwoorden, was het drie keer mis. Tot overmaat van ramp werd begin dit jaar nog een herzieningsverzoek genadeloos naar de prullenmand verwezen. Mijn benoeming lijkt daarom niet voor de hand te liggen: Boris Boef zou ook niet snel in toga met bef verschijnen.

We hebben tijdens het sollicitatiegesprek dit pijnlijke verleden niet opgerakeld, maar ik houd er rekening mee dat juist het feit dat ik een ‘ervaringsdeskundige’ ben tot aanbeveling strekte. Ik weet immers wat het is om een dikke enveloppe van de Raad te mogen ontvangen. Ik kan de begeleidende brief van de secretaris bijna dromen. Ik ruik soms al van een afstand het gewichtige briefpapier van een advocatenkantoor, waarachter vele genummerde producties schuil gaan.

Ik ken het gevoel dat een klacht, ergens in het middenrif, teweeg kan brengen. Hebben we dan toch iets verkeerds gedaan – wellicht wat te zuinig met het wederhoor, de kop misschien iets te kort door de bocht, was ‘sjoemelen’ wel de juiste kwalificatie? En hebben we de klager niet al te bot afgewimpeld? Van een begripvol briefje of desnoods een piepkleine ‘correctie’ op een binnenpagina, zou niemand toch veel slechter zijn geworden?

Ik weet ook hoeveel inspanning de procedure kan kosten. Niet in de laatste plaats omdat je bij het opstellen van het verweer rekening hebt te houden met collega’s op de redactie, die het geloof in eigen onfeilbaarheid niet onmiddellijk op willen geven. Jij mag je twijfels hebben, zij verwachten dat je tot de tanden gewapend, niets en niemand ontziend, de strijd aangaat, in de bres voor de persvrijheid als het ware.

Ik weet wat het is om op een vrijdagmiddag de gang te maken naar de kantoren aan de Hogehilweg in Amsterdam Zuidoost, ergens tussen de ballenbak van Ikea en van Ajax. Ook al wil iedereen je doen geloven dat het allemaal zo fijn laagdrempelig is, dat het er niet al te formeel-juridisch aan toe gaat, dat er koffie en thee is en dat er vanzelfsprekend geen sancties zijn, lukt het niet om heel ontspannen te antichambreren bij de Raad.

Ik weet dat vragen van leden van de Raad een open zenuw kunnen raken. En ook dat de emoties soms oplopen. Want wie mocht twijfelen aan de impact van publicaties, zou eens een zitting moeten bijwonen.
Natuurlijk, er wordt keurig evenwicht bewaard, maar je voelt je na binnenkomst enigszins op achterstand. Het is toch in de eerste plaats de klager die het platform mag opeisen – jij hebt er niet om gevraagd. Ook als de uitspraak in zijn nadeel zou uitvallen, heeft hij tenminste de voldoening dat een college van vijf mensen aandachtig heeft geluisterd naar zijn uiteenzetting over het hem aangedane onrecht en dat de secretaris alles nauwgezet heeft vastgelegd om er later de buitenwereld kond van te doen.

Ik ken ook het gevoel na afloop van de zitting: geen idee hoe het is gegaan en nog minder wat de uitkomst zal zijn. Het kan klontjesklaar lijken, maar de meeste klachten vragen om een afweging, waarbij de conclusie alleen tot stand kan komen na het lezen, het luisteren en de uitwisseling van argumenten (en dat is voor de leden ook het leukste van dit werk).

Ik weet ook wat het is om enkele weken later (je had de hele zaak al bijna verdrongen) de conclusie onder ogen te krijgen. Ik ken de opluchting, maar veel sterker de teleurstelling, het onbegrip zelfs. En dan moet je nog de gang naar de redactie en de lezer maken om het vonnis, dat zachtmoedig ‘conclusie’ wordt genoemd, met hen te delen.

Dus met andere woorden, zou ik tot de collega’s willen zeggen: Ik voel jullie pijn. Om er snel aan toe te voegen: En daar gaan wij helemaal niets aan doen. Wij hebben met z’n allen de verschrikkelijke Raad in het leven geroepen om bij te dragen aan de professionalisering van ons werk. Wie een journalist van een journalist wil onderscheiden, moet niet alleen naar behaalde Tegels kijken maar ook naar de bereidheid om klachten serieus te nemen en zich desnoods te verantwoorden voor de wijze waarop hij zijn vak uitoefent.

Of, in de woorden van Folkert Jensma, mijn voorganger ad interim en voorzitter van onze stichting: ‘In een rechtsstaat mag de burger rekenen op bescherming tegen de macht. Dus ook die van de journalistieke media. De consensus is dat bij media dat begint met zelfregulering, niet met een wettelijk tuchtrecht of iets dergelijks. Maar dan moet die zelfregulering ook wel werken.’

Ik hoop daaraan een bijdrage te leveren als een soort verbindingsofficer tussen Raad, beroepsgroep en publiek. Met de kanttekening dat ik als voorzitter zelf geen deel uitmaak van de klachtenbehandeling. Wat voor Boris Boef geldt, geldt immers ook voor mij.