Conclusies

Alle conclusies van de Raad voor de Journalistiek vanaf de eerste uitspraak in 1961 tot heden zijn hier te raadplegen. U kunt zoeken op diverse trefwoorden. De resultaten worden weergegeven op volgorde van relevantie.

In de meeste gevallen spreekt de Raad zich uit over de inhoud van een klacht. De Raad beoordeelt klachten dan als ‘gegrond’, ‘deels gegrond’, ‘deels ongegrond’ of ‘ongegrond’. Overigens luidden de eindconclusies van 2014-2022 ‘zorgvuldig’, ‘deels onzorgvuldig’ of ‘onzorgvuldig’. (zie het bericht: Raad voor de Journalistiek: van ‘onzorgvuldig’ naar ‘gegrond’)

In mei/juni 2021 heeft de Raad een lijst met overwegingen opgesteld die hij gebruikt bij de beoordeling van klachten over afgewezen verzoeken tot verwijdering of anonimisering van online publicaties. Het gebruik daarvan wordt nader uitgewerkt in de conclusies die zijn te vinden onder het trefwoord ‘aard van de publicatie – archivering/vergetelheid’.

Recente conclusies

2013/27 | Conclusie: 13/06/2013
Gegrond

J. Dijkgraaf / F. Oremus en de hoofdredacteur van Villamedia magazine

Feitenweergave

  • onjuiste berichtgeving

Aard van het medium

  • vak-/bedrijfsblad – print
Lees samenvatting

De klacht betreft het artikel “Wat rest HP/De Tijd nog?”, waarin HP/De Tijd-uitgever Hans van Brussel zegt: “… De ‘visie’ van Dijkgraaf heeft het blad volgens hem ‘vele duizenden lezers’ gekost. ‘Het vertrouwen in hem had er niet moeten zijn. Bij zijn vertrek bedroeg de oplage nog maar ongeveer 16.000 exemplaren.’” Volgens klager hebben verweerders ten onrechte de door Van Brussel genoemde oplagecijfers niet geverifieerd.
Het artikel gaat over het verleden en de toekomst van HP/De Tijd, waarbij aandacht wordt besteed aan de vaak wisselende (hoofd)redactie van het blad en de achteruitgang in oplagen gedurende de jaren. In verband met een andere bewering van Van Brussel (over de marketingcampagne bij de overgang naar de maandfrequentie) hebben verweerders uit eigen beweging de relevante cijfers van HOI (Instituut voor Media Auditing) vermeld. Het had daarom op de weg van verweerders gelegen om – ter voorkoming van misverstanden – de bewering over de oplagecijfers ten tijde van het vertrek van klager eveneens te controleren c.q. toe te lichten aan de hand van de HOI-cijfers, waaruit een beduidend hogere oplage blijkt dan door Van Brussel vermeld. Door dit na te laten hebben verweerders journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Dat de door Van Brussel genoemde cijfers een illustratie zijn van de bewering dat sprake was van een achteruitgang in de oplage en ook de HOI-cijfers blijk geven van een daling in de oplage, doet daaraan niet af. Een journalist behoort immers zodanig te berichten, dat op basis van zijn informatie de lezer zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kan vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht.

2013/28 | Conclusie: 13/06/2013
Gegrond

mr. N.C.J. Meijering / J. van den Heuvel (De Telegraaf)

Journalistieke werkwijze

  • hoor en wederhoor

Aard van het medium

  • dagblad (landelijk) – print
Lees samenvatting

Klager maakt bezwaar tegen het artikel “La Serpe, kroongetuige in liquidatieproces, geeft laatste interview” dat het volgende citaat over klager bevat: Een aantal overige advocaten, Nico Meijering voorop, heeft grenzen overschreden. Zo zijn de anonieme getuigen F1 en F3 bewerkt, geregisseerd en beïnvloed. Als de officieren zo hadden gewerkt, waren ze ontslagen.Kern van de klacht is dat ernstige beschuldigingen over klager zijn gepubliceerd zonder het opnemen van zijn reactie. Van den Heuvel heeft niet op de klacht gereageerd.
Door de uitlatingen wordt klager in hoge mate gediskwalificeerd. De beschuldigingen zijn afkomstig van een persoon met wie klager in zakelijk conflict is (geweest). Van den Heuvel had daarom bij het publiceren van de uitspraken bijzondere zorgvuldigheid in acht moeten nemen. Dit houdt in het algemeen onder meer in dat wederhoor wordt toegepast. Uit de stukken blijkt dat Van den Heuvel klager heeft benaderd voor een reactie. Door de beschuldigingen aan klagers adres te publiceren, maar klagers reactie niet te plaatsen, heeft Van den Heuvel journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

2013/26 | Conclusie: 04/06/2013
Ongegrond

X / de hoofdredacteur van de Stentor

Feitenweergave

  • tendentieuze berichtgeving

Aard van de publicatie

  • rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken

Aard van het medium

  • dagblad (regionaal) – print
Lees samenvatting

De klacht betreft het artikel “Rechters sturen Nunspeter naar psychiater” dat gaat over een strafzaak tegen klager. Kern van klagers bezwaar is dat het artikel eenzijdig en suggestief is en dat hij al op voorhand is veroordeeld. Het artikel bevat voornamelijk een feitelijke beschrijving van wat op de openbare zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden. Verder is beschreven hoe klager tijdens de zitting op de journalist is overgekomen. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat de publicatie relevante feitelijke onjuistheden bevat. Dat hij op sommige punten een andere uitleg geeft aan de gebeurtenissen, komt in het artikel voldoende duidelijk naar voren. De berichtgeving is zowel wat betreft inhoud als wat betreft toonzetting niet journalistiek ontoelaatbaar. Overigens merkt de Raad nog op dat de hoofdredacteur pas na twee weken schriftelijk op de tweede brief van klager heeft gereageerd. Het zou beter zijn geweest als hij direct na ontvangst van die brief contact met klager had opgenomen, vooral omdat klager daarin laat weten dat hij al eerder een brief had gestuurd waarop niet is gereageerd.

2013/24 | Conclusie: 04/06/2013
Ongegrond

N.V. Slibverwerking Noord-Brabant / de hoofdredacteur van de Volkskrant

Journalistieke werkwijze

  • hoor en wederhoor
  • inzage vooraf
  • open vizier/verzwijgen eigen identiteit

Feitenweergave

  • onjuiste berichtgeving
  • tendentieuze berichtgeving

Aard van het medium

  • dagblad (landelijk) – print
Lees samenvatting

Klaagster (SNB) maakt bezwaar tegen de artikelen “Nutsbedrijf in het nauw door derivaten” en “Derivatendrama”. Kern van de klacht is dat de berichtgeving eenzijdig, onvolledig en (deels) onjuist is en dat pas kort voor plaatsing bekend werd dat de artikelen in de Volkskrant zouden worden geplaatst.
Uit de artikelen komt voldoende duidelijk naar voren dat SNB, voorafgaand aan het besluit tot het aangaan van de financiële transacties, met hulp van experts onderzoek naar de risico’s heeft gedaan. Verder is duidelijk gemaakt dat SNB aan financiële risicospreiding heeft willen doen, maar dat het feitelijk anders is gelopen. Het is begrijpelijk en niet journalistiek ontoelaatbaar dat in de berichtgeving aansluiting is gezocht bij boekhoudkundige termen en op grond daarvan is geconcludeerd dat SNB – vanwege het verlies op de financiële transacties door de financiële crisis – een negatief eigen vermogen heeft gekregen en daarmee financiële problemen heeft. De vergelijking met Vestia is evenmin onzorgvuldig. In beide gevallen gaat het om een semi-publieke organisatie die (vooralsnog) zonder succes ingewikkelde financiële constructies is aangegaan. Vestia is hiervan een spraakmakend voorbeeld in Nederland. Er is niet gesuggereerd dat bij SNB fraude aan de orde is. De artikelen geven een genuanceerd beeld van de situatie bij SNB en er is niet gebleken dat de berichtgeving relevante feitelijke onjuistheden bevat.
Aannemelijk is geworden dat de freelance journalisten SNB met open vizier tegemoet zijn getreden. Dat zij hun artikel aan een landelijk dagblad hebben aangeboden, is niet in strijd met journalistieke normen. Aan SNB is anderhalve week vóór publicatie gemeld dat de artikelen in de Volkskrant zouden verschijnen. Niet is gebleken dat SNB daartegen bezwaar heeft gemaakt. Bovendien heeft zij volledige inzage gekregen en de artikelen kunnen becommentariëren, naar aanleiding waarvan enkele wijzigingen in de teksten zijn aangebracht.

2013/25 | Conclusie: 04/06/2013
Gegrond

M. Kramer (Teo Lamers Motorrijwielen B.V.) / de hoofdredacteur van Promotor (ANWB Media)

Journalistieke werkwijze

  • hoor en wederhoor

Feitenweergave

  • tendentieuze berichtgeving

Aard van het medium

  • publiekstijdschrift – print
Lees samenvatting

In het tijdschrift Promotor is het artikel “Koninklijke Guzzi” van de hand van Erik van Lent verschenen. Daarin heeft Van Lent onder meer de uitkomst van een door hem verrichte technische keuring van een Moto Guzzi Quota 1000 beschreven en de eigenaar van de motor geïnterviewd. Klager (Kramer) is de dealer van de motor en zijn zaak is in het artikel genoemd. Volgens Kramer bevat het artikel negatieve uitlatingen over hem c.q. zijn zaak en is hij niet in gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Het artikel kan niet als een ‘recensie’ of beoordeling van het werk van Kramer worden aangemerkt. Zoals Promotor zelf heeft aangevoerd, gaat het in de rubriek (vooral) om een beoordeling van de technische staat van de motor en niet om een beoordeling van het uitgevoerde onderhoud door een dealer.
In de publicatie wordt in negatieve bewoordingen gesproken over de bij name genoemde zaak van Kramer. Promotor had daarom Kramer om een reactie behoren te vragen. Dat de reacties van beschuldigde dealers meestal afwijzend/ontwijkend zijn, ontslaat Promotor niet van deze verplichting. Door het achterwege laten van wederhoor is een eenzijdig, ongenuanceerd en overwegend negatief beeld over de zaak van Kramer ontstaan.

2013/23 | Conclusie: 02/05/2013
Ongegrond / Onthouding oordeel

X / J. Polman en de hoofdredacteur van Spitsnieuws.nl

Journalistieke werkwijze

  • hoor en wederhoor

Procedure

  • medewerking aan procedure

Aard van het medium

  • internet – algemeen
Lees samenvatting

De klacht betreft de publicaties “Oorlog in telefonieland” en “Ergernis om kapen telecomklanten”. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
Klaagster heeft gesteld dat de artikelen tendentieus zijn en veel ongefundeerde beschuldigingen aan haar adres bevatten. Verweerders hebben ervoor gekozen geen verweer te voeren en hebben de Raad geen informatie verschaft omtrent de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen. De Raad betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelwijze van verweerders ernstig wordt bemoeilijkt. De Raad kan geen gefundeerd oordeel geven zonder nader feitenonderzoek, hetgeen door de houding van verweerders niet mogelijk is. De procedure bij de Raad leent zich er niet voor dat de Raad een dergelijk feitenonderzoek buiten (een der) partijen om verricht. De Raad onthoudt zich daarom op dit punt van een oordeel.
Verder overweegt de Raad dat Polman kennelijk de eigenaar van klaagster heeft benaderd voor wederhoor. Deze heeft ervoor gekozen niet inhoudelijk te reageren, in afwachting van de beantwoording van gestelde Kamervragen. De in de berichtgeving opgenomen beweringen over klaagster zijn specifiek en duidelijk. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het geven van een inhoudelijke reactie slechts mogelijk was na beantwoording van de Kamervragen. Dat (de eigenaar van) klaagster niet adequaat heeft gereageerd, kan verweerders niet worden verweten. Gelet op het uitblijven van een inhoudelijke reactie is het begrijpelijk en relevant dat verweerders de eigenaar van klaagster op dit punt hebben geciteerd. Van onjuiste toepassing van wederhoor is geen sprake. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.

2013/22 | Conclusie: 26/04/2013
Ongegrond

de Ambassade van de Republiek Cyprus / de hoofdredacteur van Trouw

Aard van de publicatie

  • ingezonden brieven/reacties op websites

Aard van het medium

  • dagblad (landelijk) – print
Lees samenvatting

Klaagster heeft in een ingezonden brief gereageerd op het artikel“Dossier Turkije sleept zich voort”. Daarin is een Europarlementariër geciteerd, die stelt dat “de huidige Cyprische president niet veel moed heeft getoond” in de onderhandelingen rond de kwestie van het deels door Turkije bezette Cyprus. De ingezonden brief is niet geplaatst.
Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan plaatsing van de reactie van klaagster was geboden. De passage in het artikel waarop klaagster wilde reageren, is als citaat weergegeven. Voor de lezer is duidelijk dat dit citaat de mening van de desbetreffende Europarlementariër behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten. Weliswaar kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is, maar daarvan is hier geen sprake. De redactie was niet gehouden de ingezonden brief van klaagster te plaatsen en behoefde haar keuze ter zake niet te verantwoorden. Niettemin heeft de chef opiniepagina toegelicht waarom klaagsters verzoek om publicatie van haar brief is afgewezen.

2013/20 | Conclusie: 22/04/2013
Deels gegrond

X c.s. / de hoofdredacteur van iDordt.nl

Privacy

  • foto’s
  • vermelding persoonlijke gegevens

Rectificatie/ weerwoord

  • ingezonden brieven

Aard van de publicatie

  • interview

Aard van het medium

  • internet – algemeen
Lees samenvatting

Op iDordt.nl is het artikel“Let’s get superduper dirty in Dolhuis!” verschenen, waarin een gesprek met klaagsters is weergegeven en waarbij een foto van hen is geplaatst. Vervolgens is het artikel “Zeur-groupies” verschenen, waarin verweerder een e-mailwisseling met klaagsters heeft gepubliceerd. Hierna is nog een artikel verschenen onder de kop “We hebben een klacht”, waarin aandacht is besteed aan de procedure bij de Raad. Bij dit artikel zijn links geplaatst naar de eerdere publicaties en naar een pdf-file van het klaagschrift.
Volgens de Raad heeft verweerder in het eerste artikel op een persoonlijk getinte wijze een sfeertekening gegeven van het optreden in het Dolhuis en het daarbij aanwezige publiek. Voor de lezer is duidelijk dat is gekozen voor een luchtige invalshoek. Dat dit voor klaagsters mogelijk onaangenaam is, maakt niet dat daarmee ontoelaatbaar is gehandeld. Objectief bezien is de publicatie niet schadelijk voor klaagsters. Zij hebben zelf aan de publicatie meegewerkt en erkend dat een deel van de weergegeven citaten ongeveer in die strekking ter sprake is gekomen. Niet is gebleken dat de citaten relevante onjuistheden bevatten. Klaagsters hebben ingestemd met het maken van foto’s en waren ervan op de hoogte dat deze wellicht gebruikt zouden worden voor publicatie. In zoverre is de klacht ongegrond.
Verder stelt de Raad vast dat de gepubliceerde e-mailwisseling geen persoonlijke gegevens bevat waardoor klaagsters herleidbaar zijn dan wel dat hun privacy op andere wijze ontoelaatbaar is aangetast. Niet is gebleken dat verweerder de e-mails als vertrouwelijk moest beschouwen. De e-mails zijn behandeld als ingezonden brieven en zonder wijzigingen geplaatst. Hierdoor is het standpunt van klaagsters met betrekking tot de eerste publicatie weergegeven. Ook op dit punt is de klacht ongegrond. Overigens heeft verweerder duidelijk gemaakt dat hij begrip heeft voor het gevoel van klaagsters dat hun klachten niet serieus zijn genomen. Naar aanleiding van die klachten en de reactie van een derde heeft verweerder enige actie ondernomen. Het zou hem hebben gesierd als hij in de toonzetting van zijn reactie aan klaagsters ook blijk ervan zou hebben gegeven dat hij hun klachten serieus neemt. Dat hij dat heeft nagelaten, maakt echter niet dat dit onderdeel van de klacht alsnog gegrond is.
Ten slotte overweegt de Raad dat door het opnemen van een link naar het klaagschrift persoonlijke gegevens van een van de klaagsters zijn gepubliceerd. Als gevolg daarvan is zij door een onbekende benaderd op haar mobiele telefoonnummer. Hierdoor is de privacy van deze klaagster onnodig aangetast. Op dit punt is de klacht dan ook gegrond. Overigens heeft verweerder duidelijk gemaakt dat hij er – kennelijk ten onrechte – van uit is gegaan dat het klaagschrift een openbaar stuk is en heeft hij toegezegd de persoonlijke gegevens van deze klaagster van zijn website te verwijderen.

2013/19 | Conclusie: 22/04/2013
Ongegrond

M. Poel / T. van den Berg en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia

Journalistieke werkwijze

  • hoor en wederhoor
  • misbruik van informatie

Aard van de publicatie

  • columns

Aard van het medium

  • dagblad (regionaal) – print
Lees samenvatting

De klacht betreft de column “Herenleed” die in de rubriek ‘op het randje’ is verschenen.
Volgens de Raad is geen sprake van journalistiek ontoelaatbaar handelen. De vergelijking met Waldorf en Statler – personages uit de Muppet Show – is voor klager wellicht onwenselijk, maar is objectief bezien in de gebruikte context niet zodanig kwetsend of beledigend dat daarmee grenzen zijn overschreden. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat de column de persoonlijke mening van Van den Berg behelst en ironisch is bedoeld. Gelet op het voorgaande bestaat evenmin grond voor de conclusie dat ten onrechte geen wederhoor is toegepast. Verder is het in dit geval niet ontoelaatbaar dat verweerders gebruik hebben gemaakt van een e-mail die klager aan de fractievoorzitters en wethouders persoonlijk heeft gestuurd. Dat de e-mail niet voor publicatie bestemd was, doet niet ter zake. Klager had bij verzending rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat de inhoud, die betrekking heeft op een openbare kwestie, op straat zou komen te liggen. Daarbij komt dat de e-mail geen privé-informatie van klager bevat.

2013/18 | Conclusie: 22/04/2013
Ongegrond

X / F. Verhagen en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad

Privacy

  • verdachten/veroordeelden
  • vermelding persoonlijke gegevens

Aard van de publicatie

  • rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken

Aard van het medium

  • dagblad (regionaal) – print
Lees samenvatting

Klaagster maakt bezwaar tegen het artikel “Werkstraf van 30 uur na mishandeling benedenbuurvrouw”. Kern van de klacht is dat met het gebruik van een combinatie van persoonlijke gegevens van klaagster – de voornaam, initiaal van de achternaam, straatnaam en HIV-besmetting – haar privacy is geschaad.
De aanduiding van klaagster – met voornaam en de initiaal van haar achternaam – is in het kader van berichtgeving over strafzaken journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. Verder acht de Raad het aannemelijk dat de HIV-besmetting aan de orde is gekomen op de rechtbankzitting en een rol heeft gespeeld in de door de rechter gemaakte afwegingen. De Raad beseft dat de vermelding hiervan extra gevoelig ligt bij klaagster, juist door de combinatie met haar andere persoonlijke gegevens. Dat neemt niet weg dat het noemen van de HIV-besmetting in dit geval journalistiek relevant was en niet ontoelaatbaar. Dit geldt ook voor het vermelden van de straatnaam, aangezien het voorval daar heeft plaatsgevonden. Overigens is geen huisnummer vermeld en het is dan ook niet aannemelijk dat klaagster in de publicatie voor het grote publiek identificeerbaar is geworden. Er is geen grond voor de conclusie dat klaagsters privacy ongerechtvaardigd is aangetast.